Exact 10 jaar geleden, op 17 december 2010, overgoot een Tunesische straathandelaar zichzelf met benzine. Hij stak zichzelf in brand voor het gemeentehuis. Mohamed Bouazizi was tot wanhoop gedreven door de pesterijen van de corrupte Tunesische politie. Zijn daad lokte een golf van protest uit in zijn land, wat een maand later leidde tot het ontslag van president Ben Ali, autoritaire leider van de eenpartijstaat. De vonk sloeg over naar andere landen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Velen in het westen zagen het begin van een ‘Arabische Lente’.

Tien jaar blijft nog weinig over van de westerse illusies. In alle staten waar de Arabische Lente tot massaal protest en regimeverandering heeft geleid, heerst geen democratie of vrijheid. In verschillende gevallen werd het nog erger. Enkel in Tunesië houdt de democratie stand, maar ook daar heerst opnieuw veel ongenoegen. Veel Tunesiërs vervloeken vandaag de nagedachtenis van martelaar Bouazizi. Waar er onvrede is in de Arabische Wereld, loeren de religieuze fundamentalisten immer om de hoek.

Opstanden met veel verschillende motieven

Het westen zag tien jaar geleden vooral wat het wilde zien. Na het einde van de Koude Oorlog was de democratie in opmars in de wereld, maar de Arabische wereld bleek tot dan immuun voor die evolutie. De Arabische Lente leek die beschaving eindelijk in beweging te zetten naar ‘de goede kant van de geschiedenis’.

In werkelijkheid zat er geen ideologische lijn in de revoluties. De democratisch gezinde Jasmijnrevolutie in Tunesië bleek wel een algemeen sein voor opstand, maar in elk land hadden de revolutionairen zo hun eigen motieven, waarin de drang naar democratie geen hoofdrol speelde. In Egypte wilden de moslimbroeders Moebarak weg. In Syrië kwam de soennitische meerderheid in opstand tegen de dominantie van de alawieten van Assad. In Libië werden de stammentwisten mee opgepookt door radicale islamieten.

Burgeroorlog en humanitaire rampen

De resultaten varieerden tussen slecht en heel slecht. De ‘humanitaire’ operatie in Libië leidde tot de val van Khaddafi, maar daarna lieten de overwinnaars het land aan zijn lot over. Het wordt sindsdien verscheurd door een burgeroorlog waarin de jihadisten zich niet onbetuigd laten. De chaos in Libië wordt misbruikt door mensenhandelaars die van het land de voornaamste uitvalsbasis voor illegale immigratie naar Europa hebben gemaakt.

Ook in Jemen leidde het afzetten van de autoritaire leider tot een burgeroorlog en een van de grootste humanitaire catastrofes van deze eeuw. In Syrië gebeurde hetzelfde, maar nog erger. De Islamitische Staat kon een tijdje een kalifaat vestigen in delen van Irak en Syrië, waarin gruweldaden openlijk werden gevierd. 

De westerse pers deed lyrisch over het protest tegen het regime van Moebarak op het Tahrirplein in Kaïro in 2011, maar het enige resultaat van de democratisering in Egypte was een verkiezingsoverwinning van het fundamentalistische Moslimbroederschap. De radicaal Morsi kwam aan de macht en kende zichzelf onmiddellijke dictatoriale bevoegdheden toe. Binnen en buiten Egypte kreeg iedereen snel heimwee naar Moebarak. Het westersgezinde leger greep in en zette Morsi af. Alles is in Egypte weer zoals voordien. Alleen is het land nog minder democratisch dan vóór de Arabische lente en heet Moebarak nu Abdoel Fatah al-Sisi.

Beter een generaal dan een fundamentalist

Het westen moet ophouden met het aanmoedigen van democratische experimenten in landen die er niet rijp voor zijn. Tijdens de Koude Oorlog hanteerde president Reagan succesvol de Kirkpatrick-doctrine in de strijd tegen het communisme. Die zegt dat je ook militaire dictaturen als bondgenoot mag behandelen wanneer het alternatief een totalitaire staat is. Dictaturen zijn in het algemeen minder repressief dan totalitaire staten, rationeler in hun handelen, vatbaar voor afspraken en, niet onbelangrijk, minder stabiel zodat je ze achteraf gemakkelijker weer het wankelen kan brengen.

Het militaire regime van generaal Sisi in Egypte is ver verkiesbaar boven een fundamentalistische staat waar het Moslimbroederschap de plak zwaait, zoals in 2012-2013 het geval was. De ayatollahs van Iran zijn veel gevaarlijker dan iemand als Assad omdat ze in meer geïnteresseerd zijn dan gewoon aan de macht blijven. Ze worden geïnspireerd worden door een religieus messianisme dat zelfs tot een Armageddon met Israël kan leiden.

Er wordt hypocriet over gedaan, maar in feite wordt dit beleid al toegepast. Ondanks alle idealistische woorden, legde Obama zich de facto neer bij de machtsovername door Sisi in Egypte. Het westen klaagt af en toe obligaat over de mensenrechten, maar in de praktijk wordt zijn militaire regime aanvaard. Sisi kreeg zelfs felicitaties van de EU toen hij werd ‘verkozen’ met een lachwekkende 97 procent van de stemmen.

De olifant in de kamer

Voor de algemene mislukking van de Arabische lente worden veel redenen aangehaald. In concreto waren in elk land inderdaad specifieke factoren aanwezig die het eindresultaat hebben beïnvloed. Dat betekent niet dat je een zeer sprekende, algemene statistiek mag negeren. Van de 50 landen met een islamitische meerderheid ter wereld is er slechts één dat van Freedom House het keurmerk “vrij” krijgt. Dat is Tunesië, het land waar alles begon, maar ook daar is het veel te vroeg om te spreken van een stabiele democratie. Verschillende van die 50 landen kregen in 2010 de kans om over te stappen naar de vrijheid. Ze maakten er geen gebruik van. 

De terughoudendheid van de commentatoren om te spreken over de religieuze olifant in de kamer heeft vermoedelijk ook te maken met de consequenties die zouden kunnen getrokken worden over de snel groeiende islamitische aanwezigheid in Europa. De vaststelling van Samuel Huntington meer dan twintig jaar geleden, dat islam en democratie moeilijk kunnen gecombineerd worden, is in ieder geval helemaal bevestigd door de resultaten van de Arabische Lente.