Het begon ergens vanaf maart of april van dit jaar: de Brusselse politie kreeg er, net zoals alle andere lokale korpsen van het land, een opdracht bij. De covid-patrouilles moesten de Brusselse bevolking aansporen om de coronamaatregelen braaf op te volgen. Zowel autochtone als allochtone Brusselaars, iedereen gelijk voor de wet. Elke dag zette elk van de zes Brusselse politiezones een aanzienlijk deel van zijn manschappen in om de opgelegde maatregelen te doen naleven.

Er was toen nog een regering van lopende zaken die maar geen greep kreeg op de coronacrisis. Via een verschrikkelijk gebrekkige communicatie probeerde premier Sophie Wilmès week na week nieuwe of aangepaste maatregelen te verdedigen. Met als logisch gevolg dat de bevolking er na verloop van tijd niet veel meer van begreep. Dat is één zaak. Maar ook de politie, die de maatregelen moest controleren, kreeg bijna elke week nieuwe instructies.

Ook wij van de politie raakten bijgevolg al snel de draad kwijt, vooral omwille van de verschillen van de ene plaats tot de andere. Waar in andere grootsteden men duidelijk vanuit het beleid wilde vermijden dat het coronavirus zich verspreidde, wilden de Brusselse burgemeesters zo lang mogelijk hun parken en speelpleintjes openhouden uit angst voor kritiek van kiezers.

Geen heldere maatregelen

Intussen werd het najaar en kwam de tweede, gevreesde maar lang voorspelde, coronagolf opsteken. Wie dacht dat het land er dit keer wel klaar voor zou zijn, kwam helaas bedrogen uit. Er was intussen wel een nieuwe minderheidsregering. Die had een duidelijk signaal kunnen geven, maar dat gebeurde niet.

De politieke onenigheid tussen federale en regionale overheden, de inmenging van burgemeesters en van gouverneurs, die elk vanuit hun eigen belangen wanhopige pogingen ondernamen om hun eigen job te rechtvaardigen, maakte dat er opnieuw van alle acties werden ondernomen, behalve diegene die het meest noodzakelijk en cruciaal was: de creatie van duidelijke rechtlijnige maatregelen die iedereen kan begrijpen.

Grote verschillen in aanpak

Het grote probleem van de lokale politie was vooral dat het de hele tijd bijzonder onduidelijk bleef wat er wanneer moest worden geverbaliseerd. Maar ook in welke vorm het administratief moest worden genoteerd. Onder de vorm van een proces-verbaal, via een gemeentelijke administratieve boete (GAS) of nog op een andere manier?

Daardoor verschilt de manier van het politieoptreden de facto sterk van de ene gemeente tot de andere. Waar men in een klein boerengat een boete uitschreef als er twee mensen te dicht bij elkaar op een bankje zaten, besliste men in het ‘gezellige Molenbeek’ om ‘te sensibiliseren’.

De moslimgemeenschap, die volgens bepaalde virologen een heel grote inspanning heeft geleverd om de maatregelen van de eerste golf perfect op te volgen, bleef zo enigszins buiten schot.

Drie probleemgroepen

Misschien is het subjectief, maar uit wat mijn collega’s en ikzelf de voorbije tien maanden konden vaststellen, zijn er een drietal groepen die zich opmerkelijk weinig hebben aangetrokken van alles wat covid-maatregelen betreft.

De eerste groep zijn de studenten. Die konden we af en toe betrappen als ze te luidruchtig een kotfuif hielden. De meesten onder hen bevonden zich in een huis waar meerdere studenten tegelijk zijn ingeschreven. U begrijpt dat het dan ook niet altijd duidelijk is wie er waar wanneer mocht aanwezig zijn.

De tweede groep zal ik de ‘links georiënteerde alternatieve ecologische jongeren’ noemen. Die kom je in heel wat Brusselse gemeenten op elke hoek van de straat tegen. Deels uit haat tegen elke vorm van autoriteit, deels uit wereldvreemdheid, wilde er dagelijks wel iemand aantonen dat het mondmasker een vorm van onderdrukking was. Of dat de voorziene veiligheidsafstand van 1,5 meter een beperking was van het tonen van affiniteit met alle menselijke broeders.

De derde groep zijn de ‘moeilijk bereikbare’, zeg dus maar allochtone bevolkingsgroepen. In Brussel tref je vaak mannen van Poolse, Roemeense, Portugese of andere afkomst aan die in dronken toestand in cafés zitten. Ze drinken en zeveren wat met elkaar, na een dag hard werk. Ook bij hen dringt de boodschap niet goed door.

De grote moslimgemeenschap hield tijdens de eerste golf, en ik kan alleen spreken op basis van mijn persoonlijke ervaring, weinig tot geen rekening met de maatregelen. Tijdens de tweede golf zijn het vooral de ‘jongeren’ die de regels aan hun laars lappen. Ze hangen rond op pleintjes of op de hoeken van de straten. Altijd in groep en zonder mondmaskers staan ze met elkaar te praten.

De Brusselse ‘jongeren’

Wanneer een politiepatrouille bij een groep jongeren langskomt en hen op de coronamaatregelen wijst, doen zich doorgaans twee scenario’s voor.

In het eerste scenario lopen ze weg in alle richtingen als ze ons zien afkomen en gaan ze met ons de discussie aan. Daarbij valt niet zelden het woord racist. Het eindigt meestal wanneer de patrouille verder rijdt omdat ze het niet de moeite vinden om tussen te komen.

In het tweede scenario stappen de agenten uit. Meestal verschijnen er dan een uur nadien al videofilmpjes op Twitter, Facebook en Tiktok met als commentaar dat de jongeren slaags geraakten met de politie. Brusselse politici en ministers kunnen zich dan luidop vragen stellen: als er door de politie geweld moet gebruikt worden, had die het dan niet anders kunnen oplossen? Voor die ‘andere’ oplossing keert u even terug naar scenario één.

Zelf probeerde ik vaak met deze ‘jongeren’ een gesprek aan te gaan. Ik wilde proberen om hen een zinnige uitleg te geven waarom we de maatregelen moeten naleven. Ik probeerde hen uit te leggen dat ze misschien hun ouders konden besmetten, of hun grootouders. De meeste gezinnen wonen met meerdere generaties samen in één huis, onder hetzelfde dak.

Het risico is dus groot als er iemand besmet raakt dat de rest van de familie volgt. Als je dan na al die pogingen te horen krijgt dat het een corona een ziekte is die alleen “infidels”, ongelovigen, aantast, dan zakt de moed u in de schoenen.

Daarbij komt nog dat er in Brussel een aanzienlijk aantal ‘landlopers’ en ‘illegalen’ vertoeven. Mensen zonder vaste verblijfplaats aan wie je geen boete kan opsturen. Hetzelfde probleem stelt zich met mensen die hun residentie hebben in het buitenland. Zo zijn er ook wel een aantal.

Iedereen gelijk voor de wet?

Wat veel collega’s zich met mij afvragen is hoeveel van die boetes er effectief worden betaald. Op sociale media kunt u zien hoe de politie binnenvalt in shishabars en op locaties waar illegale feestjes worden gegeven. Maar hoeveel van die boetes raken ook werkelijk geïnd?

Men moet strenger durven optreden tegen eigenaars die duidelijk zwaar en herhaaldelijk over de schreef zijn gegaan. Hebben ze recht op dezelfde steunpremie voor de horeca als hun collega’s die de wetten wel respecteren? Of is de invloed van sommigen onder hen zo groot op de lokale bevolking dat geen enkele burgemeester er tegen in durft te gaan?

Hetzelfde geldt ook voor de relschoppers, en vooral voor de recidivisten, die elke mogelijkheid aangrijpen om politiepersoneel te belagen, te bespuwen of aan te vallen. Men kan dit soort gedrag niet blijven vergoelijken door te spreken over racisme of door zich te verschuilen achter vermeend ‘pestgedrag’ door de ordediensten.

In dit land is het vooral de brave burger, die door onoplettendheid zijn masker niet heeft opgezet, die tegen een boete aankijkt en deze plichtsbewust zal betalen. Iedereen gelijk voor de wet? Zo zou dat in theorie toch moeten zijn?