Het Armeense ministerie van Buitenlandse Zaken maakte vandaag bekend dat premier Nikol Pashinyan bijstand vraagt aan de Russische president Vladimir Poetin. Dat schrijft Het Laatste Nieuws. Vrijdag beloofden Armenië en Azerbeidzjan om niet langer burgerdoelwitten te bombarderen bij het gewapend conflict in Nagorno-Karabach.

In een mededeling klinkt het als volgt: “De Armeense eerste minister heeft zich tot de Russische president gericht met de vraag om onmiddellijk overleg op te starten om de aard en de hoeveelheid te bepalen van de bijstand die de Russische Federatie kan verlenen aan Armenië om zijn veiligheid te verzekeren.”

Het Kremlin liet meteen weten alle “noodzakelijke” hulp te zullen bieden indien het conflict zich verplaatst naar Armeens grondgebied. Dit maakt deel uit van het defensieverdrag tussen beide landen. Rusland moet Armenië helpen bij een aanval op zijn grondgebied. Deze overeenkomst is volgens Moskou echter niet van toepassing op Nagorno-Karabach. Rusland bezit ook een militaire basis in Armenië.

Bemiddelingspoging

Op een bemiddelingsbijeenkomst in Genève kwamen Armenië en Azerbeidzjan vrijdag nog overeen om geen burgerdoelwitten meer te bombarderen. Zaterdag beschuldigen beide partijen elkaar echter van nieuwe aanvallen. “De vijand (Azerbeidzjan, red.) blijft vreedzame nederzettingen en burgerinfrastructuur aanvallen. De vijand heeft wapens met chemische elementen (witte fosfor) gebruikt, wat verboden is door de Geneefse Conventies”, klinkt het bij militaire autoriteiten uit de regio.

Bakoe weerlegt deze beschuldigingen bij monde van het ministerie van Defensie: “We verklaren officieel dat het Azerbeidzjaanse leger niet beschikt over wapens en munitie verboden door het internationaal recht.”

Bij het conflict kwamen reeds 1.250 mensen om het leven, onder wie 130 burgers. Eerder mislukten al drie pogingen tot een wapenstilstand.