In het eerste halfjaar van 2020 heeft Duitsland een recordhoeveelheid energie uit het buitenland moeten importeren. Tegenover 2019 is dat een stijging van 43,3%. Het cijfer is opvallend omdat in Duitsland, net als in alle landen, het verbruik eigenlijk aanzienlijk is gedaald (met ongeveer 10%) door de coronacrisis.

Duitsland is een voorloper in Europa op het gebied van het gebruik van zonne- en windenergie. Al meer dan de helft van de stroom komt uit ‘groene energie’. Dat aandeel is ook dit jaar verder gestegen.

Naast de hoge kost, is het grote probleem van de Duitse ‘Energiewende’ het gebrek aan flexibiliteit. Op momenten van weinig zon of wind wekken de ‘groene’ installaties weinig stroom op en moet men beroep doen op kerncentrales en productie via fossiele brandstoffen. De traditionele energie-opwekking werd in in 2020 echter verder afgebouwd waardoor er steeds vaker interne stroomtekorten optreden.

Negatieve energieprijzen

De grootste leverancier is Frankrijk, dat vooral dankzij zijn kerncentrales 8,7 miljard kilowattuur kon verkopen aan Duitsland. Duitsland moet die prijzen doorrekenen aan de belastingbetaler en de verbruiker.

Wanneer er wel veel zon of wind is, produceert Duitsland dan weer te veel. Het exporteert dan zelf de overschotten naar de buurlanden. De vraag in het buitenland is echter veel kleiner dan wat Duitsland op het net gooit. Daardoor worden de prijzen voor elektriciteit vaak ‘negatief’, wat eigenlijk wil zeggen dat Duitsland moet betalen om er vanaf te geraken. Ook die verliezen moeten worden doorgerekend.

David Jones, een Britse energie-expert, verklaarde dat die kosten vooral terechtkomen bij kleine gebruikers, zoals gezinnen en kleine ondernemingen, omdat zij het verschil moeten betalen tussen de negatieve prijzen en de opwekkingsprijzen die vooraf zijn vastgesteld in veilingen of andere contracten.