Op de avond van 24 juli woedde een zware brand in het christelijke dorp Hessana, in het zuidoosten van Turkije. Meerdere huizen brandden uit en tal van fruitbomen werden vernield. Hessana is het dorp waar de roots liggen van meer dan 5.000 Mechelaars. 

De precieze oorzaak is van de brand is vooralsnog onduidelijk. Het is alleszins niet de eerste verdachte brand in de regio. Vorig jaar richtten branden zware schade aan in zes Aramese dorpen in de Turkse provincie Mardin. Al de zes dorpen – Elbeğendi, Güzelsu, Dibek, Üçköy, Üçyol en Dağiçiçi – worden bevolkt door Oosterse christenen. Ook het eeuwenoude Mor Hananyoklooster werd getroffen. Volgens sommigen in de lokale gemeenschappen was er toen sprake van sabotage, of op zijn minst ernstige nalatigheid vanwege de overheid. Volgens de Turkse autoriteiten werd het gebied toen afgebrand om makkelijker PKK-leden terug te vinden.

(Lees verder onder de tweet.)

Precaire situatie christenen in Zuidoost-Turkije

Tegenwoordig blijft er in Zuidoost-Turkije slechts een fractie van de vele christenen die zich er ooit bevonden over. Deze laatste christenen zijn nog altijd het slachtoffer van pesterijen, geweld of sabotage en een blinde, dove of vijandige overheid. Volgens christelijke activisten tracht de Turkse overheid het levende bewijs van de eeuwenlange aanwezigheid van de christenen in het Midden-Oosten uit te wissen.

De afgelopen jaren vonden verschillende incidenten plaats. Verschillende kerken werden de laatste jaren ontheiligd. In het begin van 2020 werd priester-monnik Aho Sefer Belicen van het Mor Jakobklooster aangehouden. Zijn misdaad: het geven van brood en water aan “Koerdische terroristen”.  In het ergste geval zijn ze zelfs het slachtoffer van ontvoeringen en moord. Zo werden Hurmuz Diril en zijn vrouw Şimoni – de laatste Chaldeeuws-katholieke christenen in hun dorp Kovankaya – in januari ontvoerd. Şimoni werd onlangs dood teruggevonden langs een kanaal. Haar 71-jarige man blijft spoorloos.