Terwijl de medische, psychologische en wettelijke kant van het nieuwe abortuswetsvoorstel allemaal aan bod komen, vallen er weinig woorden over het ethisch-filosofische aspect ervan. Is dat niet behoorlijk vreemd bij een discussie over leven en dood, wellicht het meest primordiale ethische vraagstuk van allemaal?

Het is enige tijd geleden dat een ethisch thema nog zo de gemoederen verhitte als het abortusvraagstuk van de laatste weken. De kwestie legde zelfs een bom onder de huidige regeringsformatie. Een progressieve coalitie van Open Vld, MR, Groen, Ecolo, PS, sp.a, PVDA en DéFi wil abortus depenaliseren, de termijn optrekken van 12 naar 18 weken, de verplichte bedenktijd van zes naar twee dagen brengen en komaf van de verplichting om eerst adoptiemogelijkheden te bespreken.

Progressieve geestdrift

Hoewel het wetsvoorstel – in theorie althans – een brede meerderheid heeft in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, zitten de communautaire verhoudingen rond het delicate thema compleet scheef. Zo schaart een verpletterende meerderheid van de Franstalige volksvertegenwoordigers zich achter het voorstel, terwijl er binnen de veeleer rechtse Vlaamse groep geen meerderheid voor te vinden is.

Vooral de gejaagdheid en de vurige progressieve geestdrift waarmee dit voorstel erdoor gedrukt lijkt te moeten worden doen de wenkbrauwen fronsen bij tegenstanders. En die tegenstanders bevinden zich heus niet enkel in het christelijk-conservatieve kamp. Ook vele zelfverklaarde progressieven en voorstanders van abortus duwen op de rem.

Waar is het moraalfilosofisch debat?

Veel aandacht in het debat naar slordigheden in het wetsvoorstel, de snelheid waarmee het ineens door het Parlement gejaagd moet worden, de emotionele en fysieke ingrijpendheid van de procedure bij de moeder en kans op complicaties in het latere stadium. Dit zijn allemaal pertinente vragen van immens belang. Toch schort er iets aan de hele discussie. Terwijl de medische, psychologische en wettelijke kant van de zaak allemaal aan bod komen, valt er haast geen woord over het ethisch-filosofische aspect ervan. Is dat niet behoorlijk vreemd bij een discussie over abortus, één van dé ethische thema’s pur sang?

Wat men ook moge denken van ethisch-progressieve vurigheid van de Paarse jaren ’00, er werd tenminste grondig in de publieke ruimte gedebatteerd over de moraalfilosofische kant van de zaak. Sindsdien lijkt het pleit beslecht dat ethische of levensbeschouwelijke opvattingen tot de privésfeer behoren en niet mogen worden meegenomen in de discussie.  “Abortus is toch al lang goedgekeurd”, hoort men voorts wel eens waaien. “De kous is af.” Toch is het essentieel om, indien men de termijn wil aanpassen, de ethische argumenten die aan de grondslag liggen van deze termijn opnieuw onder het licht te houden.

Zo ontstaat de hele discussie uit een conflict van twee fundamentele ethische principes. Enerzijds is er het zelfbeschikkingsrecht van de moeder, anderzijds de vraag over leven en dood – wellicht het meest primordiale ethische vraagstuk van allemaal. Wat is de waarde van dit leven, of potentiële leven, immers in afweging tegen het zelfbeschikkingsrecht van de moeder? Wanneer begint hét leven überhaupt? 

Haast alle argumenten die door de ene of de andere zijde worden aangevoerd in het debat, scheren rakelings langs elkaar door als de ethische kwestie niet in acht wordt genomen. Als een ethische progressief bijvoorbeeld oppert dat een vrouw baas is over eigen lichaam en een ethische conservatief daarop reageert dat ongeboren leven ook rechten heeft, dan prediken beide kanten eigenlijk – of ze het nu weten of niet – voor de eigen achterban. Beide zijden hebben immers een fundamenteel ander begrip over wat ‘ongeboren leven’ inhoudt en vanaf wanneer er zelfs sprake is van dit leven.

Morele valkuilen

Niet iedere progressief denkt natuurlijk dat een ongeboren kind geen volwaardig leven is, maar het veld ligt bezaaid met morele valkuilen. Omdat de confrontatie hiermee te pijnlijk is wordt het vraagstuk door hen vaak liever uit de weg gegaan. Een probleem bij de – veelal religieuze – tegenstanders van abortus is dan weer dat ze vaak niet de moeite nemen om hun ethische positie met rationele argumenten te staven. Het is niet dat daar een gebrek aan is. Men hoeft geen christen te zijn om dit te erkennen.

Zo heeft hun positie nu eenmaal het voordeel van de eenvoud, veiligheid en helderheid. Het leven begint volgens hen bij bevruchting. Simpel, logisch, klaar. Deze opvatting toeschrijven aan louter religieus dogmatisme is een miskenning van de intellectuele kracht en het filosofische serieux van het christendom. Het is ook simpelweg de meest ‘veilige’ stellingname vanuit een moraalfilosofisch oogpunt. Het is moeilijker om hier een speld tussen te krijgen dan bij andere opvattingen. 

Mits enige socratische ironie is dit op eenvoudige wijze te illustreren. Neem het idee van levensvatbaarheid. Zolang de foetus niet levensvatbaar is weegt het zelfbeschikkingsrecht van de moeder op tegen het leven van de foetus, luidt de redenering. Allemaal goed en wel, maar hoeveel van de lezers van dit stuk zouden levensvatbaar geweest zijn indien de medische wetenschap niet zou zijn wat ze is? Wat met kinderen die na een volledige zwangerschapstermijn geboren worden, maar sterven omdat ze geen toegang hebben tot de nodige medische zorg? Ook andere ideeën, zoals het vormen van een bewustzijn of cognitieve vaardigheden door het ongeboren kind, stuiten op dezelfde muur.

Een tweede pijnpunt is het feit dat het vastleggen van een termijngrens, in functie van bijvoorbeeld lichamelijke ontwikkeling van de foetus, in zekere zin altijd arbitrair is. Het is een beetje zoals de paradox van de zandhoop: één korrel zand maakt nog geen hoop, twee ook niet, drie ook niet, een duizendtal daarentegen … Hoeveel korrels moet je precies toevoegen eer je van een zandhoop kan spreken? Welke éne korrel maakt het verschil? Zo ook bij de ontwikkeling van de foetus. Welke éne molecule maakt van hem of haar een volwaardig individu?

Pleidooi voor ethisch-filosofisch debat

Al deze punten dienen eenvoudigweg om het ethische mijnenveld rond de kwestie te illustreren. Dit stuk is dan ook geen pleidooi voor of tegen abortus, maar een pleidooi om ethiek – welke ethiek dat ook moge zijn – niet uit het oog te verliezen en mee te nemen in het debat.

Het klinkt misschien weinig democratisch en radicaal-feministisch, maar ondergetekende gelooft wel degelijk dat de band tussen moeder en kind en het biologische, culturele en psychologische aspect van het moederschap vrouwen meer zeggenschap geven in deze kwestie. Gelukkig is er geen gebrek aan sterke vrouwen, zoals Valerie Van Peel (N-VA), die de toon zetten in het debat. Nu is het nog wachten op een even unieke ethische inbreng, zowel van voor- of tegenstanders, vanuit die vrouwelijke invalshoek.