Door middel van grote schermen en een offensief op sociale media wil de gemeente Amsterdam racisme en discriminatie bestrijden. Wethouder Rutger Wassink (GroenLinks) ziet hierbij een rol voor de burger weggelegd. Hij stelt: “Met deze campagne maken we een statement: we zijn met z’n allen verantwoordelijk. Dus: zie je of hoor je iets wat echt niet kan? Kom op voor elkaar: zeg iets, grijp in!” 

De antidiscriminatieplannen zijn onderdeel van een breder offensief dat de gemeente Amsterdam voert. De huidige coalitie (GroenLinks, PvdA, SP en D66) wil namelijk op zoveel mogelijk manieren ‘discriminatie’ bestrijden. Dit gebeurt onder andere door het gebruiken van ‘mollen’ die onwenselijk gedrag moeten detecteren op de arbeidsmarkt, de woningmarkt en in het uitgaansleven. Maar de gemeente zelf draagt ook haar steentje bij. Ze gaat namelijk nog meer diversiteit brengen binnen de eigen organisatie.

(Lees verder onder de tweet)

“Wees geen zwijgende omstander”

De antidiscriminatiecampagne stond al langer op de agenda. Door het coronavirus liet het alleen nog even op zich wachten. Omdat het normale leven zich weer begint te herpakken, en omdat dankzij de BLM-protesten racisme een centraal onderwerp is, kan de campagne van start gaan. Vanaf juli zal het offensief te zien zijn in de stad en op sociale media. Wassink stelt hierbij: “Wees geen zwijgende omstander. Daarmee doe je het slachtoffer alleen maar meer pijn.” 

Als laatste organiseert de gemeente Amsterdam ook nog zogeheten ‘stadsgesprekken’. Door middel van deze gesprekken kunnen burgers luisteren naar ‘ervaringen’ van racisme. Dit moet vervolgens ook uitwijzen welke ‘rol’ burgers hebben in het tegengaan van racisme. “Amsterdammers laten ons weten dat zij willen vechten tegen discriminatie en uitsluiting, in welke vorm dan ook. We willen dat iedereen in deze veelkleurige stad zich vrij voelt om zichzelf te zijn en de kansen krijgt waar we allemaal recht op hebben. We moeten kennis van en respect voor elkaars beleving en geschiedenis hebben, elkaar ontmoeten, begrijpen en waarderen,” zo meent Wassink.