Dr. Stijn Baert, professor arbeidseconomie, zegt in een opiniestuk op VRT NWS dat het zomaar verhogen van het minimumpensioen tot 1.500 euro onverantwoord is. Volgens hem is het verleidingsmanoeuvre van de N-VA een louter politieke beweging die economisch geen steek houdt.

Op de nieuwjaarsreceptie van de N-VA  pleitte voorzitter Bart De Wever voor de verhoging van de laagste pensioenen. Daarmee kwam hij tegemoet aan een thema dat op links momenteel erg leeft. De boodschap is goed aangekomen bij de sp.a, want die gaf gisteren aan om open te staan voor samenwerking met de Vlaams-nationalisten. 

De professor geeft wel eerst toe dat de laagste pensioenen voor wie een hele carrière gewerkt heeft, onbehoorlijk laag zijn in België. Zeker gezien de enorm hoge belastingdruk die dit land kent. 1.500 euro zou voor iedereen een minimum moeten zijn, aldus Baert.

Dure operatie

Hij wijst er echter op dat de hele operatie financieel erg duur is. De kosten zouden oplopen tot 3 miljard euro extra voor de sociale zekerheid. Dit terwijl de Belgische begroting al grote tekorten kent. Bij ongewijzigd beleid loopt het tekort op tot zo’n 14 miljard euro in 2022. De verhoging van het pensioen heeft daarom een bredere hervorming van heel het systeem nodig, weet de professor.

Het simpelweg verhogen van het minimumpensioen zou op die manier een boemerangeffect hebben: op middellange termijn wordt onze sociale zekerheid helemaal onbetaalbaar en moeten we allemaal een stap terugzetten qua sociale bescherming.
De professor maakt de vergelijking met een koppel in relatiecrisis dat een extra kind maakt. Iets dat op korte termijn soelaas biedt, maar op lange termijn compleet onverantwoord is.

Prof. Baert wijst er op dat hogere pensioenuitgaven zullen moeten gekoppeld worden aan hogere inkomsten. Om hogere pensioenen te krijgen moet er langer gewerkt worden. 

Meer werken

In het licht van dat noodzakelijk langer werken, zijn er echter heel wat hindernissen op de Belgische arbeidsmarkt. Zo is er het probleem rond ‘een volledige carrière’. De gemiddelde Belgische werknemer zit ongeveer een derde van die carrière in zogenaamde ‘gelijkgestelde periodes’. Dat zijn periodes waarin men niet aan het werk is, maar de pensioenopbouw toch doorloopt.

Als ontspoord voorbeeld van dat beleid wijst hij op het beroemde geval van de Waalse vriendinnen Virginie en Caroline. Virginie kreeg na 40 jaar te hebben gewerkt als zelfstandige minder pensioen dan Caroline die 33 jaar werkloos was geweest. Indien het minimumpensioen ‘blind’ verhoogd zou worden, zou de kans op dergelijke situaties enkel maar toenemen. 

Een grote groep Belgen zou hetzelfde pensioen ontvangen – schattingen gaan uit van 45% van de werknemers die exact het minimumpensioen zouden krijgen – terwijl sommigen veel meer effectief gewerkte maanden op de teller zullen hebben dan anderen. Net het omgekeerde van het “loon naar werken”-discours van de Vlaamse regering dus.” De hogere minimumpensioenen zullen bovendien moeten betaald worden via (hogere) bijdragen van wie effectief aan het werk is. Iets wat werken dus zal ontmoedigen.

De professor vindt dat die gelijkgestelde periodes gerationaliseerd moeten worden. Ze zijn terecht en nodig voor moeders op zwangerschapsverlof en mensen met een ernstige ziekte, maar zouden niet mogen gelden voor wie langdurig werkloos is.

De pensioenopbouw verlaagt nu al bij langdurige werkloosheid, en de professor zou dat versterkt en vervroegd willen zien, met minder uitzonderingen. Iemand die langdurig werkloos is geweest, zou op het einde van zijn of haar carrière iets langer moeten werken om tot een volledig pensioen te komen.

Drempels arbeidsmarkt

Een ander euvel volgens de professor arbeidsrecht is het nog altijd bestaan van het SWT, het vroegere brugpensioen. Het is een systeem dat mensen aanzet tot inactiviteit en van de arbeidsmarkt haalt. Dit op een moment dat er veel vacatures zijn en weinig werkloosheid.

Professor Baert haalt ook nog andere drempels voor de arbeidsmarkt aan. De regering Michel had beloofd ze weg te werken, maar heeft er finaal geen werk van gemaakt. Het betreft zaken zoals de lijst van zware beroepen en het afzwakken van de koppeling tussen lonen en anciënniteit, iets wat oudere werknemers duur en onaantrekkelijk maakt.

De professor concludeert: “De Vlaamse en Waalse regering rekenen niet toevallig op de verhoging van de werkzaamheidsgraad met vijf procentpunt om hun begrotingen te laten sluiten. Een grondige pensioenhervorming is noodzakelijk om die ambitie haalbaar te maken. De extra inspanningen die in die context van de Belg zullen gevraagd worden, lijken realistischer als er ook iets tegenover staat. Een hoger minimumpensioen niet inbedden in een globale pensioenhervorming, zou dan ook een gemiste kans zijn.