In april krijgt het Brusselse hof van beroep, hetgeen tweetalig is, een nieuwe eerste voorzitter. Die persoon heet Laurence Massart. Maar zij zou nauwelijks Nederlands spreken. Dat is een probleem, want dat kan de werkzaamheden belemmeren alsook politiek-communautaire gevoeligheden verhitten. Maar het tegenwoordige hof van beroep schiet nu ook met haar pijlen op minister van Justitie Koen Geens (CD&V). De huidige voorzitter van het hof stelt immers dat Geens de wet overtrad. De Standaard vernam dat deze voorzitter, eveneens Franstalig, een brief aan Geens schreef waarin werd aangedrongen om de vacature voor de job Nederlandstalig te maken. Immers, wettelijk gezien volgt een Nederlandstalige rechter steeds een Franstalige op en omgekeerd.

In de Brusselse juridische wereld is een relletje ontstaan. Op 2 april treedt in het Brusselse hof van beroep, hetgeen tweetalig is, een nieuwe eerste voorzitter aan. Die persoon heet Laurence Massart. Maar die persoon kan nauwelijks Nederlands, zo blijkt. Het hof zelf schuift de verantwoordelijkheid nu door naar Jusitieminister Geens. Die zou namelijk de vacature verkeerd hebben laten opstellen. En “de opmaak van vacatures voor magistraten is een bevoegdheid van de minister van Justitie”, zo weet De Standaard. De afscheidnemende voorzitter, de Franstalige Luc Maes, schreef in dit kader aan Geens dat hij een Nederlandstalige vacature moest laten opstellen. Dit omdat het volgens de wettelijk bepaalde beurtrol nu eenmaal tijd was voor een Nederlandstalige rechter.

Geens overtrad artikel 259 van het gerechtelijk wetboek met verkeerde vacature

Tot ieders verbazing was de vacature echter gericht aan Franstaligen. Dat botste ook binnen het Brusselse hof van beroep op onbegrip. “Met verbazing nam ik kennis van de publicatie in het Staatsblad (van de Franstalige vacature, red.)”, zo schreef Maes aan Geens in de brief die De Standaard inkeek. De toprechter verwees hierbij naar de wet die de aanstelling van voorzitters bij het hof van beroep in Brussel regelt. “Volgens mijn Franstalige diploma lijkt het me dat mijn opvolger van de Nederlandstalige taalrol zou moeten zijn.” Op het einde van de brief vroeg Maes Geens dan ook om de vacature aan te passen door ze Nederlandstalig te maken.

Geens weigerde echter om dit te doen. Sterker nog: de Justitieminister antwoordde Maes door te stellen dat volgens hem de vacature wel correct is opgesteld. Het kabinet-Geens verwees hierbij naar voorbereidende werken op een wetswijziging uit 2006. Toen werden er nieuwe regels over de taal van magistraten besproken en zou worden bepaald dat de eerste voorzitter bij het hof van beroep niet van taalrol hoeft te veranderen wanneer zijn mandaat niet wordt hernieuwd: Als iemand dus beslist om zichzelf niet op te volgen, kan de nieuwe voorzitter dezelfde taal spreken.

Alleen, die vage passage werd nooit opgenomen in de uiteindelijke wet. Finaal werd beslist dat de taalrol van de eerste voorzitter enkel dezelfde blijft als een voorzitter voortijdig zijn mandaat stopt, niet meer wanneer iemand zichzelf niet opvolgt. En zo staat het thans in artikel 259 van het gerechtelijk wetboek. Het kabinet Geens reageerde niet na verzoeken van De Standaard om een reactie.

https://sceptr.net/campaigns/doneer/donate/