Hoewel de regering-Michel crisis na crisis leek te overleven, viel ze in december over een, in principe, niet-bindend migratiepact. Het pact zou namelijk volgens de N-VA een bedreiging kunnen vormen voor onze soevereiniteit. Hoewel SCEPTR-redacteur Hugo Decker zich hier kan in vinden, moeten de Vlaams-nationalisten volgens hem consequent(er) zijn. 

Terwijl de Britten in 2016 op zoek gingen naar “controle”, Paul Magnette ageerde tegen het CETA-verdrag en de Nederlanders de Associatieovereenkomst met Oekraïne wegstemden, schonk de Vlaamse publieke opinie tot voor kort betrekkelijk weinig aandacht aan de notie ‘soevereiniteit’. “Hoe meer ‘internationale samenwerking’ hoe beter”, leek lange tijd het credo. Kiest men voor apostasie, zoals de N-VA deed in de Marrakesh-discussie, dan fantaseert Mark Eyskens duchtig over politieke interdicten voor de “isolationistische en protectionistische fortenbouwers, die zich achter muren terugtrekken nadat zij hun ladder naar de buitenwereld hebben opgetrokken. Anderen, zoals premier Charles Michel, wekken dan weer de schijn op dat ze over bovenmenselijke gaven beschikken; of kan u soms voorspellen wie aan “de goede kant van de geschiedenis” zal staan?

Alle gekheid op een stokje; veel geloof hoeft men mijns inziens niet te hechten aan de ‘made in Belgium’-Cassandra’s. Integendeel, dat de N-VA, zoals Sander Loones enkele dagen geleden nog schreef op de VRT-website, aandacht schenkt aan de “uitholling” van onze soevereiniteit, valt toe te juichen. Regio’s en naties hebben immers verschillende wereldbeelden en cultiveren een veelvoud aan normen en waarden. Beleidsmakers evenwel – vaak met de verwijzing naar allerhande nobele doelstellingen zoals ‘samenwerking’ of ‘universele rechten’ – hebben vaak moeite met het erkennen van deze diversiteit. Zo tracht(te) men bijvoorbeeld de Hongaren een op Duitse leest geschoeid migratiemodel ‘aan te praten’ en stopte men de Grieken – ofschoon de economische en politieke verschillen met bijvoorbeeld Duitsland – in één muntunie met één monetair beleid. Diversiteit maakt op die manier plaats voor uniformiteit. Waar er in het verleden welhaast 28 verschillende opvattingen bestonden over punt x – die elk afzonderlijk een bepaalde, nationale, politieke overweging reflecteerde – zorgen nu verschillende EU-instrumenten voor een vergaande uniformering van deze opvattingen.

Naast de Europese Unie ondermijnen tal van andere internationale instituties de kardinale plaats van de natiestaat in de internationale rechtsorde. Zo “evolueert” volgens de conservatieve publicist en advocaat Fernand Keuleneerde internationale orde […] in snel tempo naar één enkele globale civil society, met globale instituties en een globaal recht, waarin het onderscheid tussen statelijke en bovenstatelijke rechtsorde verdwijnt door fusie van beide met onderschikking van de eerste aan de laatste in alle domeinen, en de staatssoevereiniteit naar internationale en supranationale instellingen en organismen overgeheveld wordt”. In België, waar internationale rechtsnormen in principe voorrang genieten op nationale wetten, is een dergelijke evolutie ingrijpender dan in sommige andere landen. Het gevolg? Samen met de ‘gedwongen’ vermindering van de politieke diversiteit, deemsterde ook het vermogen van politici om op burgers hun verzuchtingen te reageren weg; iets wat op zijn beurt resulteert in (vooralsnog) veel democratisch ongenoegen.

Wanneer een partij (terecht) tegen deze evolutie ageert mag men evenwel een consequent standpunt verwachten. Immers, gaat het over Iran, dan schermen verschillende partijleden met ‘universele mensenrechten’. Een ander voorbeeld: PS’er Magnette “beschadigde” volgens N-VA-voorzitter De Wever met zijn verzet tegen een verregaand handelsverdrag “na Vlaanderen nu ook Europa en de wereldhandel”. Heeft Iran misschien geen ‘recht’ op soevereiniteit in de ogen van de N-VA? Of is ‘soevereiniteit’ inzake economie niet van belang? Nochtans spelen in deze zaken dezelfde dynamieken als bij het Marrakesh-pact. Steeds komt het neer op het opleggen van een (ideologisch niet neutraal) wereldbeeld en het verminderen van democratisch zeggenschap.

Naast rechtlijnigheid mag men ook verwachten dat een partij die kiest voor ‘soevereiniteit’ aandacht schenkt aan de verhouding tussen nationaal en internationaal recht. Moeten internationale normen in principe steeds, zoals de Belgische rechtscolleges oordelen, prevaleren op nationale wetten? Hoewel hier argumenten voor te bedenken vallen, verliezen nationale normen – die per definitie het resultaat zijn van een nationale, politieke afweging – hierdoor hun waarde. Verder mag en moet men ook verwachten dat een ‘soevereiniteitspartij’ aandacht schenkt aan wie mag zetelen in de hoogste nationale en supranationale rechtscolleges. Stelt men in plaats van deze elementen alleen maar ‘wereldvreemde rechters’ of ‘het verminderen van onze soevereiniteit’ in migratiediscussies aan de orde, dan is ‘soevereiniteit’ geen “principe” maar een laakbaar electoraal gerechtje à la carte.

ADVERTENTIE