In zijn maandelijkse bijdrage neemt SCEPTR-columnist Filip Meert het zogenaamde ‘eenheidsstatuut’ en de cynische rol van de vakbonden op de korrel. “Enkel doen wat u wordt opgedragen zonder al te veel vragen te stellen, is voor velen best oké. Er is immers de vakbond die zorgt voor een degelijk loon en werkomgeving, maar groei is voor hen geen prioriteit”, zo schrijft Meert. “Zij die echter beseffen dat hierdoor hun talenten niet optimaal worden aangesproken en ze geen kans krijgen om te groeien binnen het bedrijf, blijven monddood.”

Tijdens de herdenking van de Rerum Novarum-encycliek op 31 mei 1960 verklaarde CVP-voorzitter Theo Lefévre dat het onderscheid tussen arbeiders en bedienden kunstmatig en onrechtvaardig is en moet worden opgeheven. Op 1 januari 2014 werd echter, onder druk van het Grondwettelijk Hof en na langdurig overleg tussen de sociale partners, het ‘eenheidsstatuut’ ingevoerd waarin de carensdag (eerste dag van ziekte die onbetaald was voor arbeiders) en verschil in opzegtermijnen worden afgeschaft.

Betekende dit het einde van een meer dan 100 jaar in stand gehouden kastensysteem? Deed België eindelijk wat alle andere Europese landen jaren geleden realiseerden? Niet echt. Een datum voor de afschaffing van élk onderscheid uit hoofde van hand- of hoofdarbeid is er niet. Er is enkel een intentie van geleidelijke toenadering. Tegen eind 2018 moesten de sociale partners een stappenplan klaar hebben, maar ze staan er nog nergens mee: de afzonderlijke arbeiders- en bediendencontracten blijven van toepassing en dus ook een reeks bedenkelijke, discriminatoire verschillen. De muur tussen arbeiders en bedienden – het gevolg van een strikt onderscheid tussen hoofd- of handarbeid – blijft dus overeind. Hierdoor blijft echter het aanwezig talent van heel wat arbeiders onderbenut.

Arbeidersstatuut ondermijnt promocampagnes

Verplichte leerplicht tot 18 jaar en een onderwijs dat alle moeite doet om de technische- en beroepsopleidingen aantrekkelijker te maken en een extra accent legt op creativiteit en communicatievaardigheden, zouden het potentieel voor de arbeidsmarkt van de toekomst garanderen. Toch blijft de interesse voor die richtingen ver beneden de verwachting. Het arbeidersstatuut aan het einde van de rit ondermijnt daarbij geloofwaardigheid. Als ‘arbeider’ wordt van u verwacht enkel handarbeid te verrichten en uw verstand bij de portier achter te laten en te doen wat u wordt opgedragen.

(Lees verder onder de tweet uit 2014.)

Het onderwijs tracht te voorkomen dat de meer begaafde leerling wordt verwaarloosd. Waarom dan nog een statuut toelaten waardoor de voor bedrijven broodnodige extra vaardigheden onder de arbeiders niet worden aangemoedigd en benut?

Dat bij de invoering van het zogenaamde eenheidsstatuut uitgerekend de vakbond spreekt over ‘hun grootste realisatie van de laatste decennia’, stemt tot nadenken. Hebben zij enig belang bij het blijvend in stand houden van twee, totaal nutteloze, afzonderlijke statuten? Spelen de aparte paritaire comités en cao’s en de voor hen gelinkte dubbele mandaten een rol? Komt hun positie van woordvoerder tussen management en arbeiders in het gedrang? Vrezen zij machtsverlies wanneer de arbeiders door de werkgever rechtstreeks worden geïnformeerd of bevraagd naar hun mening over bepaalde aspecten van de job of geplande beslissingen?

Belangen vakbonden niet die van de arbeider

Hoog tijd voor de vakbond om de Daens-periode achter zich te laten. Vandaag is de uitdaging om, in overleg met de werkgever, er op toe te zien dat alle medewerkers, ook de arbeiders, hun talenten optimaal kunnen benutten en dat de verplichte bijscholingen kunnen gebeuren in functie van het individuele talent en ambitie. De positie van de vakbond wordt bedenkelijk wanneer hun eigenbelang niet in lijn ligt met de belangen van de arbeider die zij vertegenwoordigen.

Het onderwijs tracht te voorkomen dat de meer begaafde leerling wordt verwaarloosd. Waarom dan nog een statuut toelaten waardoor de voor bedrijven broodnodige extra vaardigheden onder de arbeiders niet worden aangemoedigd en benut?

Arbeiders zijn vandaag de voornaamste verliezende partij. Hen wordt verzekerd beter af te zijn onder een arbeidersstatuut. Maar is dat wel zo? Er is enkel rechtspraak over het onterecht toekennen van het arbeidersstatuut met bijpassende financiële rechtzetting. Nog nooit werd een werkgever veroordeeld voor de toekenning van het bediendestatuut.

Enkel doen wat u wordt opgedragen zonder al te veel vragen te stellen, is voor velen best oké. Er is immers de vakbond die zorgt voor een degelijk loon en werkomgeving, maar groei is voor hen geen prioriteit. Zij die echter beseffen dat hierdoor hun talenten niet optimaal worden aangesproken en ze geen kans krijgen om te groeien binnen het bedrijf, blijven monddood.

Aanboren potentieel is ook voor werkgevers een win

De werkgever beseft onvoldoende de meerwaarde die het aanboren van die extra vaardigheden kan betekenen. Het gevoel van betrokkenheid werkt positief op motivatie en prestatie, ook bij de arbeider. Bore-out, door gebrek aan uitdagingen en verantwoordelijkheid, krijgt minder kans.

HRM-verantwoordelijken moeten beseffen dat personeelsbeleid zich niet beperkt tot het binnenhalen aan de juiste kostprijs van de nodige ‘human resources’. Het managen van het aanwezige potentieel en de opvolging en opleiding ervan, ook bij de arbeiders, is daar onderdeel van!

Ironisch genoeg is het hier dat, bij het behoud van het arbeidersstatuut, die werkgever op juridisch vlak gevaar loopt.

Bij sommige bedrijven groeit het besef dat hun arbeiders dienen aangemoedigd te worden om zélf creatieve voorstellen te doen ter verbetering van hun werkomgeving, de kwaliteit en doorlooptijden. Tegelijk wordt er gezorgd dat hun leidinggevenden open staan voor deze manier van werken. Hier brokkelt de muur tussen arbeiders en bedienden stilaan weg, met grotere betrokkenheid en waardering tot gevolg.

Ironisch genoeg is het hier dat, bij het behoud van het arbeidersstatuut, die werkgever op juridisch vlak gevaar loopt. Gelukkig voor hem zal een arbeider niet zelf naar de rechter stappen, ten minste zolang hij werkzekerheid krijgt. Het arrest van maart 2018, waarbij, na sluiting van Ford Genk, 180 arbeiders met jaren terugwerkende kracht, het statuut van bediende werd toegekend, levert hiervan het bewijs. Al die jaren stond de vakbond erbij en keek er naar…

(Lees verder onder de tweet.)

Overgangsperiode mét einddatum is noodzakelijk

Wetgever en Grondwettelijk Hof blijven zwaar in gebreke. Van een finale datum waarop de totale afschaffing van het arbeidersstatuut in voege moet gaan is geen sprake. Voor alle betrokkenen is er werk aan de winkel. De werkgever dient onder andere zijn functiewaardering- en verloningssysteem aan te passen. Cultuur en organisatie, zowel bij leidinggevende als arbeiderspopulatie én de vakbond, dienen te worden aangepakt. Loonkostbeheersing en behoud van sociale rust zijn hierbij van vitaal belang.

De samenvoeging van cao’s en paritaire comités vormen voor de sociale partners eveneens een stevige klus. Een ruime overgangsperiode, maar mét einddatum, is noodzaak. De tijd dringt echter. Enkel nog een onderscheid toelaten dat gebaseerd is op functiegebonden argumenten moet de uiteindelijke doelstelling zijn. En die gele hesjes dus nog niet te snel weggooien, denk ik dan…

ADVERTENTIE