De New York Times pakte woensdag uit met een artikel waarin wordt aangetoond hoe Facebook de afgelopen jaren met verschillende crisissen is omgegaan. De internetreus probeerde op tal van manieren de aandacht van de eigen schandalen af te leiden en de concurrentie pijn te doen.

In het artikel wordt aangetoond hoe Facebook de afgelopen jaren met tal van crisissen – zoals het Cambridge Analytica-dataschandaal, beschuldigingen van Russische inmenging en politieke partijdigheid – is omgegaan. De vaststellingen zijn niet mals. Zo zou de internetreus een PR-bedrijf hebben ingehuurd om kritische artikels over concurrenten Google en Apple te publiceren op een conservatieve nieuwssite. Ook probeerde het bedrijf na het Cambridge Analytica-dataschandaal critici te linken aan de controversiële linksliberale miljardair George Soros. Anderzijds lobbyde Facebook bij een joodse burgerrechtenorganisatie om kritiek op het bedrijf als antisemitisch te bestempelen.

Politiek lobbywerk

In november 2017 steunde Facebook een wetsvoorstel dat internetreuzen verantwoordelijk zou stellen voor sekshandel die op hun platformen gebeurt. Facebook zou dat niet uit altruïsme hebben gedaan, maar om de concurrentie te schaden. Google verzette zich immers tegen de wet. Ook zou het bedrijf via Chuck Schumer, de leider van de Democraten in de Amerikaanse Senaat, lobbywerk verricht hebben om de aandacht van de schandalen rond Facebook af te leiden.

De oproep van Donald Trump in 2015 – toen nog gewoon presidentskandidaat – om migratie uit moslimlanden stop te zetten, zou de CEO van Facebook Mark Zuckerberg geschokt hebben. Zuckerberg, die een pro-migratie-NGO runt, vroeg zich af Trump geen Facebook-regels had overtreden.