Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) werd een Oostenrijkse vrouw terecht veroordeeld omdat ze gezegd had de islamitische profeet Mohammed een pedofiel was. Volgens het hof had Oostenrijk “het recht […] op vrijheid van meningsuiting zorgvuldig afgewogen tegen het recht van anderen om hun religieuze gevoelens te beschermen, teneinde de religieuze vrede in de Oostenrijkse samenleving te bewaren”.

De vrouw gaf in het najaar van 2009 les over het huwelijk van de  profeet Mohammed en de zesjarige Aïsha tijdens twee seminars rond het thema ‘Fundamentals of Islam’. Daar zei de vrouw dat Mohammed “het graag met kinderen deed”. Ze stelde ook de volgende retorische vraag: “Een 56 jarige en een zesjarige, wat noemen we dat als het geen pedofilie is?”

Minachting religie

De vrouw werd twee jaar later door het Weense regionale gerechtshof veroordeeld tot een boete van 480 euro vanwege minachting van een religie. Een hoger gerechtshof in Wenen bevestigde die uitspraak vervolgens. Een daaropvolgend verzoek om heropening werd in 2013 door het Oostenrijkse Hooggerechtshof afgewezen.

Uiteindelijk ging de vrouw in beroep bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in Straatsburg. De vrouw deed een beroep op de vrijheid van meningsuiting. Het EHRM geeft de vrouw nu ongelijk. Volgens het hof had Oostenrijk “het recht van de klager op vrijheid van meningsuiting zorgvuldig afgewogen tegen het recht van anderen om hun religieuze gevoelens te beschermen, teneinde de religieuze vrede in de Oostenrijkse samenleving te bewaren”.

“Geen inbreuk Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens”

Het Oostenrijkse gerecht zou volgens het EHRM dus geen inbreuk hebben gedaan op artikel 10 – vrijheid van meningsuiting –  van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Volgens het EHRM waren haar verklaringen “deels gebaseerd op onjuiste feiten” en zouden ze waarschijnlijk “legitieme woede bij anderen veroorzaken”. De vrouw had nagelaten haar publiek “op een neutrale manier te informeren over de historische achtergrond”. Volgens het EHRM konden haar uitspraken enkel geïnterpreteerd worden als zijnde dat “Mohammed het niet waard was om aanbeden te worden”.