In Noord-Ierland is er in de nacht van vrijdag op zaterdag een bom gegooid naar het huis van de gewezen leider van de Ierse partij Sinn Fein, Gerry Adams. De links-nationalistische partij beschuldigt “steeds wanhopigere en irrelevante groeperingen”. Dat schrijft Reuters.

Een tweede explosief werd gegooid naar het huis van voormalig Sinn Fein voorzitter Bobby Storey. De partij liet ook weten dat één van de explosieven een auto beschadigd heeft. Adams liet via Twitter weten dat niemand gewond raakte tijdens de aanval op zijn huis. De twee aanvallen op de huizen in Belfast komen er nadat het al enkele dagen onrustig is in de tweede grootste stad van Noord-Ierland, Londonderry. Daar werd met zelfgemaakte bommen en molotovcocktails naar de ordediensten gegooid.

De politie beschuldigd de Ierse nationalisten van de Echte IRA (RIRA), dat tegen een vredesverdrag was dat Adams in 1998 hielp bewerkstelligen, van de rellen in Londonderry. Dat verdrag beëindigde zo’n drie decennia van geweld in Noord-Ierland tussen Ierse nationalisten, die een hereniging met de Republiek Ierland wilden, en pro-Britse unionisten die bij Groot-Brittannië wilden blijven. Meer dan 3.000 mensen werden toen gedood.

Verschillende groeperingen blijven nog tot vandaag actief en plegen af en toe aanslagen. Ze zijn echter erg klein in vergelijking met het Ierse Republikeinse Leger (IRA) dat in 1998 haar wapens inleverde. Een aantal van de Ierse nationalisten beschuldigen Adams en zijn Sinn Fein partij, de voormalige politieke vleugel van het IRA, ervan dat ze de Iers-nationalistische zaak verraden hebben door het tekenen van een vredesverdrag met de Britse regering.

Politieke leiders in Noord-Ierland waarschuwden ervoor dat de beslissing van Groot-Brittannië om de Europese Unie te verlaten ervoor kan zorgen dat er douane-infrastructuur op de grens met de Republiek Ierland wordt geplaatst, wat op zich weer kan leiden tot een toename van leden van de Ierse nationalistische groeperingen.