In Nederland werd gisteren een wet goedgekeurd die het dragen van gezichtsbedekkende kledij  – waaronder boerka’s – in bepaalde instellingen zal verbieden. Er werd een meerderheid gehaald in zowel de Eerste Kamer, de Tweede Kamer en de Senaat. De Raad van State is geen voorstander van de nieuwe maatregel omdat het “een beperking op de vrijheid van godsdienst” zou zijn.

De boerka is een kledingstuk dat gedragen wordt door islamitische vrouwen en moet  het volledige lichaam van de vrouw bedekken. Enkel de ogen zijn (in sommige gevallen) nog zichtbaar. In Europa woedt al enkele jaren een debat omtrent de boerka. Sommigen vinden de boerka een middel van onderdrukking en discriminatie tegenover vrouwen, en bovendien gevaarlijk aangezien vrouwen op die manier niet kunnen geïdentificeerd worden. Anderen vinden dan weer dat moslima’s de vrijheid moeten hebben om te dragen wat ze willen.

Schending vrijheid van godsdienst?

België was in 2010 het eerste Europese land waar de boerka verboden werd. Frankrijk, Oostenrijk en recent ook Denemarken volgden dat voorbeeld. Binnenkort zal ook in Nederland een gedeeltelijk boerkaverbod van kracht zijn. Gisteren stemde de Nederlandse Eerste Kamer (de Senaat) in met het verbod. Ook in de Tweede Kamer werd eerder reeds een meerderheid gevonden voor het boerkaverbod.

De VVD, CDA, PVV, ChristenUnie, SGP, OSF, Partij voor de Dieren en 50PLUS stemden in met het verbod. Regeringspartij D66 en de oppositiepartijen PvdA, GroenLinks en SP stemden tegen.

In de praktijk gaat het om een verbod op kleding die het gezicht bedekt of enkel de ogen onbedekt laat, en geldt het alleen in onderwijsinstellingen, het openbaar vervoer, overheidsinstellingen en zorginstellingen. Onder het verbod vallen bijvoorbeeld ook bivakmutsen, maar vanwege haar relevantie wordt voornamelijk gesproken van een boerkaverbod.

In het verleden uitte de Raad van State zich kritisch over het plan. Volgens het adviesorgaan is het nut en de noodzaak van de maatregel niet aangetoond. Het voorstel voorziet daarmee niet “in een zodanig dringende behoefte dat dit een beperking op het recht op de vrijheid van godsdienst kan rechtvaardigen”, zo stelde de Raad van State in 2015.

ADVERTENTIE