Meer en meer komt het voor dat je in maatschappelijke discussies geacht wordt je mond te houden. Niet omdat er feiten zijn aangebracht die niet weerlegd kunnen worden maar omdat het onfatsoenlijk zou zijn vanuit je positie als westerling. We leven blijkbaar in een tijd waarbij we onszelf moeten afvragen welke feiten geoorloofd zijn en welke niet.

Menig debat komt onvermijdelijk uit op één van de volgende opmerkingen: “Ja maar het Westen heeft zijn welvaart te danken aan zijn koloniaal verleden.” Of: “Ja maar dat migranten richting Europa komen, is hun volste recht. Ze mogen toch meegenieten van de welvaart die ontstond door hun eigen contreien uit te buiten?”

Het is niet evident om op basis van deze stellingen het gesprek voort te zetten. Het is niet alleen de morele lading die het moeilijk maakt (in hoeverre is een mens aansprakelijk voor wat anderen al dan niet hebben uitgevreten op een moment dat hijzelf nog niet geboren is). De koloniale geschiedenis is complex en om tot zijn recht te komen verdient elk geval van kolonisatie apart bestudeerd te worden. Om de zaken in dit kort bestek enigszins behapbaar te maken, beginnen we eerst met de vraag of het Westen zijn huidige welvaart te danken heeft aan de kolonisatie.

Zijn we rijk door ‘ons’ koloniaal verleden?

Ook hier moet gesteld worden dat algemene uitspraken moeilijk zijn. Om te beginnen heeft niet elk Westers land een even omvangrijk koloniaal verleden. Bij ons is zelfs een Oostendse actiegroep bereid tot het afzagen van de hand van een standbeeld van Leopold II omdat volgens hen alles wat er in Oostende is gebouwd, betaald is met bloedgeld dat Leopold II verdiende in Congo. Er kunnen wellicht meerdere doctoraatsthesissen geschreven worden inzake de geldstromen voor bekende gebouwen in België en of ze effectief te traceren zijn tot bloedgeld. De bredere vraag of de grote welvaartssprong die het Westen rijk gemaakt heeft op het conto van de kolonisatie te schrijven is, kan echter eenduidiger met ‘nee’ beantwoord worden.

(Lees verder onder de tweet.)

Over de vraag waarom sommige landen rijker zijn dan andere, buigen economen zich al zo lang als de discipline bestaat. Heel kernachtig kan worden gesteld dat welvarende landen over betere politieke en economische instituties beschikken dan arme landen. Duizenden jaren lang, tot in de twintigste eeuw, waren gewone mensen overal arm. Een hoge levensstandaard was het privilege van elites en niet de normale beloning van productieve arbeid. Zonder de noodzakelijke aanpassingen zou die treurige toestand waarschijnlijk zijn blijven bestaan. In arme landen is dat nog altijd het geval.

Het moderne ontwikkelingsdebat gaat over governance: hoe moeten we de gemeenschap structureren zodat instituties ontstaan die de cruciale welvaartshefbomen bevorderen? Een typische studie vindt bijvoorbeeld het meest pro­sociale gedrag in Boston en Melbourne en het laagste in Athene en Masqat. Wat inderdaad sterk overeenkomt met maatstaven inzake de sterkte van de rechtsstaat en transparantie van instituties.

Een hoge levensstandaard was het privilege van elites en geen beloning voor arbeid.

Daron Acemoglu en James A. Robinson maken in hun boek ‘Why nations fail’ een onderscheid tussen inclusieve en extractieve instituties. Economische instituties zijn voor hen inclusief als er sprake is van bescherming van privé-eigendom, van een onpartijdig rechtssysteem en van publieke diensten die de mensen gelijke kansen geven op de commerciële en financiële markt en bij het afsluiten van contracten. Ook moeten nieuwe bedrijven zich op de markt kunnen begeven en moeten mensen hun eigen loopbaan kunnen kiezen.

(Lees verder onder de video.)

Inhoud niet beschikbaar.
Accepteer cookies door op Accepteren in de banner te klikken

Van extractieve instituties is sprake als een minderheid de massa exploiteert zonder bescherming te bieden van particulier eigendom en zonder dat economische prikkels voor die massa beschikbaar zijn. Inclusieve economische instituties zijn intens verbonden met inclusieve politieke instituties. Een voorwaarde vormt de aanwezigheid van een gecentraliseerd gezag. Alleen dan kan een gelijk speelveld voor iedereen ontstaan en vervolgens gehandhaafd worden. [BOEK] Why Nations Fail – Daron Acemoglu & James A. Robinson.

Zijn ex-kolonies vandaag arm door het koloniaal verleden?

De bovenstaande analyse spreekt dan wel tegen dat kolonisatie een belangrijke factor is geweest voor de welvaartssprong die het Westen gemaakt heeft, ze opent ook wel de mogelijkheid dat koloniserende regimes fundamentele en langdurende schade hebben toegebracht aan de ontwikkeling van ex-kolonies. Uiteraard zijn er meerdere visies alleen al over de ‘Afrika-vraag’. Volgens Jeffrey Herbst was de periode van kolonisatie te kort om enige blijvende invloed te hebben. [BOEK] States and Power in Africa – Jeffrey Herbst.

Er is de zogenaamde ‘eclectische consensus’ van mensen als Peter Bauer en Nial Ferguson dat kolonialisme een stimulans gaf aan economische ontwikkeling door technologische transfers en het bestrijden van tropische ziekten en dan is er natuurlijk de thesis dat Europa de bron is van Afrikaanse onderontwikkeling zoals bijvoorbeeld gesteld door Walter Rodney (How Europe Underdeveloped Africa – Walter Rodney).

(Lees verder onder de tweet.)

Talloze wetenschappers hebben ondertussen heel gedetailleerd onderzoek verricht naar de lokale realiteit in Azië, Afrika en de rest van de wereld. Dat levert inzichten op inzake de voorwaarden die maken dat voor sommige landen eerder de Herbst- dan wel de Rodneythesis plausibeler is. Afrika is het armste continent en ook de meeste inwoners ervan leven in armoede. De verklaring daarvoor ligt volgens het onderzoek van Robinson in problematische instituties op zowel micro- als het macroniveau.

Macroniveau: kleptocratisch bestuur, zwakke staten onmachtig om wet en orde af te dwingen. De mechanismen om aansprakelijkheid en legitiem bestuur af te dwingen ontbreken wat mogelijk maakt om geldstromen te genereren die niet gebaseerd zijn op verdienste of productiviteit (rent seeking).

Microniveau: problematische mechanismen om productiefactoren (grond!) toe te wijzen, gebrek aan bestuurlijke aansprakelijkheid op lokaal vlak en gebrekkige sociale instituties van wederzijdse verplichtingen.

Types koloniale settings

Vooreerst moet uiteraard opgemerkt worden dat kolonisatie zich niet beperkt tot Afrika. Het is zelfs zo dat voor kolonies als de Verenigde Staten en Australië heel plausibel kan gemaakt worden dat zonder kolonisatie deze nooit zo’n hoge welvaart hadden bereikt. Ook moet opgemerkt worden dat er een aantal landen zijn waar Europeanen niet koloniseerden zoals China, Japan en Thailand.

Erg pertinent is dat Afrika rond einde 19de eeuw nog steeds erg arm was en dat politieke centralisatie er vaak sterk ontbrak. Het brede patroon is dat gedurende de kolonisatie het bruto binnenlands product typisch toenam maar dit is nog steeds verenigbaar met verschillende koloniale ervaringen. In veel gevallen ging dit na de kolonisatie terug achteruit wat zelfs gebeurde inzake de gemiddelde fysieke lengte van de bevolking.

De eerste groep landen die men onderscheidt zijn die waar er al hogere graad van centralisatie was voor de komst van kolonisten zoals in Benin, Botswana, Burundi, Ethiopië, Ghana, Lesotho, Rwanda en Swaziland. Economisch gezien waren er in dergelijke landen al essentiële instituties van publieke goederen en stabiele economische ordening voor de kolonisatie. In sommige landen was deze centralisatie echter problematisch zoals in Boeganda, Rwanda en Zululand met sterk militarisme en weinig inspraak.

De tweede groep zijn landen waar de softe basisinfrastructuur op vlak van instituties er niet was (Robinson onderzoekt bijvoorbeeld de rol van lokale stamhoofden die recht toebedelen). Vanuit deze twee groepen waren er dan verschillende koloniale ervaringen. Je had de kolonisten die de instituties die reeds bestonden in zekere mate integreerden in het koloniaal regime. Anderzijds waren er de settings waar de kolonisten deze reeds bestaande instituties ontmantelden zoals in Kenia, Namibië, Zuid-Afrika en Zimbabwe.

Kolonisatie zorgde voor groei

Tijdens de kolonisatie vond er vaak een groei van bbp per capita plaats tegenover 1885. Er was een technologietransfer met bijvoorbeeld spoorwegen en mijntechnieken en aansluiting met de wereldhandel. Levensverwachting en geletterdheid verbeterde tegenover de lage niveaus van voor de kolonisatie. In sommige landen was er bijvoorbeeld nog geen geldsysteem en buiten Ethiopië was het wiel en de ploeg nog niet in voege. Er waren uiteraard wel meer landen waar al uitgebreide wegnetwerken en rechtsystemen voorhanden waren. Veelal was de inning van belastingen nog niet geroutineerd door een uitgebouwde bureaucratie.

Merk op dat een evaluatie van de kolonisatie extreem complex is en voor een stuk nooit compleet kan zijn omdat ingeschat moet worden wat het lot van die landen was geweest zonder kolonisatie. In welke mate zou technologie zoals gezondheidszorg ook in het land gebracht zijn. Zou bijvoorbeeld de rol van missionarissen erg verschillend zijn geweest? Er is evidentie dat Botswana en Ghana reeds een centraliseringsproces kenden voor kolonisatie, noodzakelijk voor het voorzien van recht en orde en andere publieke goederen. Zou dat echter ook in Kenia en Sierra Leone zijn gebeurd?

Sierra Leone was bijvoorbeeld armer na dan voor de kolonisatie.

Wat er gebeurde, is dat toen de kolonisten wegtrokken, de situatie in landen waar er reeds voorheen belangrijke instituties aanwezig waren en deze niet ontmanteld waren, intact bleef en verdere ontwikkeling gebeurde. Een andere categorie is deze waar het koloniaal regime wel een zekere welstand had gerealiseerd maar zonder respect voor de reeds aanwezige instituties. Daar vond er typisch een economische breuk plaats die langdurige schade toebracht.

De resterende settings waren heterogeen op het vlak van ontwikkeling maar in het algemeen erg precair. Sierra Leone was bijvoorbeeld armer na dan voor de kolonisatie. In de landen waar de kolonisaties de aanwezige instituties verwierpen was er bovendien vaak niet direct een afname van het bruto binnenlands product maar wel van het inkomen van grote bevolkingsgroepen. Het gemiddeld inkomen per hoofd nam dan wel vaak toe tijdens de kolonisatie met een afname in de jaren 60 tot de jaren 90. Sinds 2000 kennen vele Afrikaanse landen wel gestage positieve groei.

Was Kolonisatie goed of slecht?

De toegevoegde waarde van uitgebreid onderzoek bestaat in de analyse van concrete (en vaak erg lokale) instituties in de mate dat ze inclusieve of extractieve karakteristieken kennen. Het lijkt inderdaad erg pertinent om te vermijden in te algemene termen te spreken over het ‘gemiddelde effect’ van kolonisatie door de grote heterogeniteit. Wanneer de focus ligt op meer dan enkel economische groei maar ook scholing, levensverwachting, inkomen en ontwikkeling dan kan men niet in het algemeen zeggen dat kolonisatie goed of slecht was onafhankelijk van de context.

We laten het aan de lezer om een eigen oordeel te vormen. De vraagstelling is in elk geval complexer dan vaak gedacht. Het is zeker belangrijk de discussie rond het koloniaal verleden genuanceerd te voeren. Nog belangrijker is het om naar de toekomst te kijken. Mensen als Steven Pinker, Hans Rosling en Johan Norberg brachten de voorbije jaren heel wat positieve feiten aan het licht op een heel breed scala van indicatoren gaande van alfabetisering, levensverwachting als demografische transitie naar lagere geboortecijfers.

ADVERTENTIE