De routine van de Amerikaanse president Trump bestaat uit het creëren van een dagelijkse opstoot van verontwaardiging waarna het mediastormpje net op tijd gaat liggen zodat de dag nadien het scenario zich opnieuw kan herhalen. Het is een publiek geheim dat net linkse media en Trump feitelijk objectieve bondgenoten zijn waarbij elke mediastorm hen extra kopij doet verkopen en de narcistische Trump dagelijks het nieuws haalt.

Een tijdje geleden was het weer van dat toen Trump zich wel erg laatdunkend uitliet over Haïti en El Salvador. Hele uitzendingen werden vervolgens besteed aan de terechte analyse dat de inwoners van die landen evengoed menselijke waardigheid hebben. Dat Trump eerder een uitspraak had gedaan over het disfunctionele bestuur op vele plekken in de wereld dan over de inwoners van die landen werd over het hoofd gezien. Nochtans bestaat er heel wat wetenschappelijk onderzoek over de rol van slecht bestuur.

Dat hij zich eerder uitliet over het bestuur van die landen dan over de inwoners zegt ook niet alles. Trump is grofgebekt en moet zeker niet worden bewonderd voor fatsoenlijk taalgebruik. Als de verontwaardiging over zijn woorden betekent dat er niet gezegd kan worden dat er verschillen in de degelijkheid van het bestuur en instituties van landen is, dan hebben we echter een probleem van struisvogelgedrag.

Landen verschillen in kwaliteit van bestuur

Heel kernachtig kan worden gesteld dat welvarende landen over betere politieke en economische instituties beschikken dan arme landen. Duizenden jaren lang, tot in de twintigste eeuw, waren gewone mensen overal arm. Een hoge levensstandaard was het privilege van uitbuitende elites en niet de normale beloning van productieve arbeid. Zonder de noodzakelijke aanpassingen zou die treurige toestand waarschijnlijk zijn blijven bestaan. In arme landen is dat nog altijd het geval.

Over de vraag waarom sommige landen rijker zijn dan andere, buigen economen zich al zo lang als de discipline bestaat. Een van de stromingen binnen de economie schreef dat toe aan de beschikbaarheid van kapitaal. Werknemers binnen ontwikkelde economieën waren veel productiever omdat ze meer kapitaal konden gebruiken in het productieproces. Vorige eeuw kende dan ook veel pogingen vanuit het Westen om Afrikaanse landen snel het ontwikkelingsproces te laten doorlopen door er grote kapitaalsinvesteringen uit te voeren. Dat dat niet gewerkt heeft zoals gehoopt, is zwak uitgedrukt.

Het heeft ervoor gezorgd dat beleidsfouten, disfunctionele ideologieën en negatieve attitudes tegenover ondernemerschap en gebrekkig onderwijs vandaag centraal staan. Het moderne ontwikkelingsdebat gaat over governance: hoe moeten we de gemeenschap structureren zodat instituties ontstaan die de cruciale welvaartshefbomen bevorderen? Een typische studie vindt bijvoorbeeld het meest pro­sociale gedrag in Boston en Melbourne en het laagste in Athene en Masqat. Wat inderdaad sterk overeenkomt met maatstaven inzake de sterkte van de rechtsstaat en transparantie van instituties.

Ontwikkelingshulp: een contradictio in terminis?

Zo gauw je inzoomt op de wetenschappelijke evidentie rond vertrouwen als basis van economische ontwikkeling, dringt ook door hoe moeilijk maakbaar de economische lotsverbetering van miljarden mensen wel is. Zeker van buitenuit. Dit wordt alleen maar versterkt door het inzicht rond het belang van de instituties waarmee de overheid zelf aan handen en voeten gebonden wordt en niet zomaar machtige elites bevoordeelt. Veel interventies van de westerse wereld, in al dan niet nobele betrachting tot ontwikkelingshulp, verlopen immers vooral via de elites in en buiten de overheid in dergelijke landen.

De rechtsstaat (rule of law) zet als het goed is aan tot investeringen omdat men niet moet vrezen van de vruchten ervan ontvreemd te worden. Het moge duidelijk zijn dat het niet eenvoudig is de fundamentele instituties over te planten van een rijk naar een arm land. Het stelsel van check­ and­ balances lijkt dan wel evident voor ons, maar in veel concrete gevallen beperkt men zich tot louter een aantal formalistische procedures zonder dat ze werkelijk ingebed worden.

De werkelijkheid is natuurlijk dat dergelijke fundamentele instituties in het Westen in veel periodes organisch gegroeid en geëvolueerd zijn. Finaal moet de wet ook rechtvaardig bevonden worden. De grote meerderheid volgt de wet immers niet zozeer vanuit een rationele berekening van kosten en baten en een vrees voor sancties.

Geschiedenis van ‘social engineering’ (1)

Een internationale instelling zoals de Wereldbank heeft in zijn charter staan dat het woord ‘democratie’ niet gebruikt mag worden. De oorsprong lag daarvan in de wil om vlak na de oorlog, de Sovjet-Unie niet voor het hoofd te stoten. Als de ongebreidelde macht van de staat een beletsel is voor economische ontwikkeling dan is nochtans het laatste wat wenselijk is het onder de mat vegen van de schending van de rechten van mensen. Terwijl de ideologische discussie tussen liberalen en socialisten vaak gaat over het debat rond de overheid versus de markt, blijkt de echte inzet in het ontwikkelingsdebat te gaan over het realiseren van beperkingen op de willekeur van de machtsuitoefening.

De realiteit is dat in veel ontwikkelingslanden de instituties tegen machtswillekeur zwakker zijn. Extra pijnlijk is dat nogal wat ontwikkelingsdenkers de armste landen te vaak zagen als een speeltuin voor hun utopische denkbeelden. Nobelprijswinnaar Gunnar Myrdal schreef zelfs een boek met pleidooien om kinderen op te voeden door de staat in centra van “het grote nationale huishouden” om “beter menselijk materiaal” te scheppen. Deze “social engineering” nam volledig afstand van de evidentie dat instituties die cruciaal zijn voor een goed functionerende economie en maatschappij een lange en trage evolutie ondergingen zonder ooit op een ontwerptafel gelegen te hebben.

Al te vaak zat ontwikkelingshulp in de slipstream van ‘nationale ontwikkelingsplannen’ die afgedwongen moesten worden door ‘sterke’ leiders. De ervaring sindsdien is uiteraard dat de finale resultaten van die experimenten fors afweken van de intenties. Het is maar door al die processen van vallen en opstaan dat het belang van ‘informele’ kennis en ‘leren door doen’  is doorgedrongen. Vaak wel met het lijden van miljoenen mensen als tol.

Het gedachtegoed dat verspreid werd door de Verenigde Staten na de eerste wereldoorlog ging impliciet uit van een dergelijk ‘planningsmodel’ voor de ontwikkeling van arme landen in de wereld. William Easterly toont uitvoerig aan dat de VS zo in de kaart speelde van dictator Chiang Kai-Shek die stelde dat “alleen de partij als een geheel over vrijheid kan beschikken”. Het leidde tot een beleid dat het land beschouwde als een onbeschreven blad waarbij kennis van het terrein en de geschiedenis als overbodig werd beschouwd.

Autocraten en technocraten: te vaak twee handen op één buik

Dat bureaucraten vaak vervallen in aanbevelingen met weinig respect voor individuele rechten, is niet zo verwonderlijk. Dergelijke planning vereist immers veel bureaucraten die daaruit macht en voordelen winnen. Als de geschiedenis één ding heeft duidelijk gemaakt is het dat niemand te vertrouwen valt met onbeperkte macht tegenover de rechten van individuen. Sommige experten zullen altijd uitkomen bij aanbevelingen waarbij vooral hun eigen positie als verheven adviseur benadrukt en versterkt wordt.

Autoritaire regimes hebben een broertje dood aan intellectuele innovaties die fundamenteel alleen ontstaan in tolerante maatschappijen waarin excentrische ideeën van beneden uit kunnen groeien en zich verspreiden. Laat staan dat ze er gunstig tegenover staan dat diegenen die dergelijke innovaties realiseren daar zelf de vruchten van kunnen plukken. Dat sommige autocratische regimes er soms in slagen hoge economische groei te realiseren, moet kritisch geduid worden.

Tweecijferige groeivoeten treden ten eerste alleen op in landen met een grote achterstand. Dat de leiders daarvoor verantwoordelijk zijn, doorstaat zelden een kritische test. Meestal viel de periode van groei helemaal niet samen met het bewind van diegene die ervoor met de pluimen wil gaan lopen. Bovendien zijn ze vooral sterk in het herschrijven van de geschiedenis. Zo wordt er veel goeds toegeschreven aan de fameuze switch van collectieve boerderijen naar familieboerderijen onder Deng Xiaoping in 1978. Zorgvuldige studie toont echter dat al in 1976 na de dood van Mao boeren erin slaagden lokale partijkaders om te kopen zodat ze ongemoeid werden gelaten op hun familiale bewerkte grond. Wat Xiaoping deed was de realiteit achteraf op zijn conto schrijven alsof het een intentie was geweest van de partij.

Een analyse van de geschiedenis van de economische ontwikkeling wijst op de noodzaak tot argwaan van allen die stellen dat mensen in arme landen niet vertrouwd kunnen worden in het maken van beslissingen over hun eigen leven en trachten hen te ‘ontwikkelen’ tegen hun eigen wil in. Centrale planning is erg aantrekkelijk voor technocraten die kiezen voor beleid dat hen de grootste rol geeft in de wereld. Als ze echter ingaan tegen miljoenen mensen die hun eigen keuzes maken terwijl de technocraten in kwestie op geen enkele manier zelf opdraaien voor de gevolgen van het beleid dat ze promoten, dan is het oppassen geblazen.

(1) William Easterly, The tyranny of experts, Basic Books, 2015