Volgens Sven Mary, de advocaat van Salah Abdeslam, behoort zijn cliënt een vrij man te zijn. Dit omdat de strafvordering tegen Abdeslam in het proces over de schietpartij niet ontvankelijk zou zijn

Vandaag vindt in het Brusselse justitiepaleis de tweede zittingsdag plaats in het proces tegen Salah Abdeslam en Sofien Ayari. Dit in verband met de schietpartij met de politie op 15 maart 2016. Maandag ging de eerste zitting reeds door. Toen toonde Abdeslam zich weinig bereid tot medewerking en stelde hij zich “enkel te verantwoorden aan Allah”.

Vrijuit?

“Er valt wel één en ander te zeggen over de procedure, het recht en de feiten”, stelde Mary in zijn pleidooi. Hét probleem volgens hem: bij de aanstelling van een onderzoeksrechter werd er een inbreuk gepleegd op de taalwetgeving. Zo zou de Nederlandstalige rechter in bepaalde documenten het Frans hebben gebruikt, dit terwijl hij het Nederlands moest gebruiken.

Om die reden is volgens Mary het hele onderzoek nietig en behoort Abdeslam – althans met betrekking tot deze feiten – een vrij man te zijn. De advocaat stelde verder dat het een grove fout zou zijn om niet stil te staan bij de gemaakte fouten. Zo zou IS – althans volgens Mary – net onze rechtstaat kapot willen maken. Respecteren we niet de juiste procedures, dan geven we hen daar eigenlijk gelijk in.

9 REACTIES

  1. Als er procedure fouten zijn gemaakt, eis ik van Svan Mary zijn naam. Ofwel is deze onderzoeksrechter totaal onbekwaam en dient hij zijn c4 te kirijgen, ofwel zijn deze feiten doelbewust tgv Abdeslam gebeurt en dient hij terecht te staan voor medeplichtigheid. Onze justitie is niet ziek, maar totaal losgeslagen. Zie ook vandaag uitspraken over de krakers in Gent.

  2. Jeminee, de taalwetgeving die afdwingbaar zou zijn. Als de rechter op Stevens vraag ingaat valt het hele Brusselse systeem in want elke Franstalige gemeenteambtenaar, werknemer van intercommunale of agglomeratie, politie, brandweer, … wordt ontslagen !
    Dan werd ik wakker en besefte dat ik nog steeds in België ben :'(.

  3. Meester Sven Mary stelde dat de deken van de onderzoeksrechters die gespecialiseerd zijn in terreurzaken in het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Brussel (waar onderzoeksrechters uit Brussel, Leuven en Nijvel toe behoren), zijn beschikking – tot aanwijzing van een onderzoeksrechter gespecialiseerd in terreurzaken op vordering van de federale procureur- had moeten opstellen in het Nederlands en beroept zich daarvoor op “artikel 12”. Artikel 12 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken (Taalwet Gerechtszaken) bepaalt : “De ambtenaren van het openbaar ministerie en de onderzoeksrechter maken voor hun daden van rechtsvervolging en van onderzoek, gebruik van de taal voorzien in strafzaken voor de rechtbank waartoe zij behooren.” Een daad van vervolging of onderzoek is een bevel uitgaande van een tot onderzoek of vervolging bevoegde overheid (Cass., 16 april 1997, P961112F, AC, 1997, 188), die tot doel heeft bewijzen in te winnen of de zaak in staat van wijzen te brengen (Cass., 4 september 1967, AC, 1968, 15), m.a.w. zorgen dat ze aan de bevoegde rechter kan worden voorgelegd.

    De deken van de onderzoeksrechters onderzoekt de zaak niet en hij kan ze dus ook niet in staat van wijzen stellen. Het in staat van wijzen stellen gebeurt immers na of tenminste samen met het onderzoek van de zaak (zie voetnoot 2 onder Cass., 26 april 1983, AC, 1982-1983, 1051 : “het Openbaar Ministerie dat door de wet belast is met de zorg de aanvraag te ontvangen, ze te onderzoeken en in staat te stellen en ze voor de kamer van inbeschuldigingstelling te brengen”).

    Artikel 12 van de Taalwet Gerechtszaken is dus niet van toepassing op de deken van de onderzoeksrechters die een in terreurzaken gespecialiseerd onderzoeksrechter aanwijst. Bij het stellen van die daad van “gerechtelijke administratie” is de deken in principe vrij de landstaal te gebruiken die hij wenst. Hij maakt van die keuzevrijheid geen misbruik wanneer hij een Franstalig bevel opstelt wanneer het tot hem gerichte verzoek in het Frans gesteld is.

    Artikel 43 van de Taalwet Gerechtszaken zegt wel dat – in het gerechtelijk arrondissement Brussel – de magistraten de taal van de procedure moeten kennen, maar dat is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid. De nietigheid wordt gesteld in artikel 40, voor alle vorige bepalingen (vóór
    artikel 40). Artikel 43 staat niet vóór artikel 40. En artikel 40 van de Taalwet Gerechtszaken is het enige artikel in die wet waar het woord nietigheid in voorkomt. Men kan het nakijken. In het bijzonder in artikel 43, § 5, tweede lid. Ondanks de schijn (wijziging van een wet van 1929) maakt artikel 43 deel uit van de Taalwet Gerechtszaken op een autonome manier.

    Die deken van de onderzoeksrechters behoort volgens mij – in die functie – niet tot een klassieke rechtbank. Hij behoort tot een vreemde en niet door de taalwet voorziene “pool” van onderzoeksrechters uit de drie gewesten (Vlaanderen, Wallonië en Brussel). Vanuit wettelijk oogpunt staat hij – in de visie van Meester Mary – voor een onmogelijke opdracht. Geeft hij de beschikking in het Frans, dan gebruikt hij volgens Mary een verboden taal. Geeft hij ze in het Nederlands, dan gebruikt hij de taal van de procedure niet. Een absurde wetgeving, tenzij men de wet interpreteteert zoals hiervoor aangegeven.

    LUC LAMINE – ROTSELAAR

    Taalwet Gerechtszaken :
    LOI – WET

    LOI – WET