De krant Het Nieuwsblad onderzocht de parlementaire activiteiten van 87 Nederlandstalige Kamerleden. Deze stelden in totaal 1.078 plenaire mondelinge vragen, 10.690 schriftelijke vragen en dienden 3.788 wetsvoorstellen in. ‘Harde macht’ koopt de Kamer hier echter niet mee.

Conform de Belgische grondwet is de Kamer van Volksvertegenwoordigers het ‘machtigste’ orgaan. Buiten het feit dat het parlement de wetten hoort op te stellen die de regering dient uit te voeren, installeert zij de regering en stemt deze desgevallend weg. In praktijk trekt de regering meer en meer macht naar zich toe en holt als het ware de macht van het parlement uit. Professor politicologie Carl Devos (UGent) stelt dat het parlement “meer een controlerend orgaan [is] geworden, in plaats van een wetgevend orgaan”.

Lachaert: “We moeten weer meer slagkracht krijgen”

Ondanks dat de Kamerleden een berg aan mondelinge en schriftelijke vragen indienden is hun invloed in de praktijk beperkt. Zo gaan zij ervan uit dat net tien procent van hun voorstellen het haalt. Carl Devos (UGent) spreekt van een internationale tendens. “De regering gunt de oppositie niets. Als een oppositielid al eens een goed voorstel indient, wordt het, eventueel lichtjes aangepast, door een minister nog eens ingediend als een wetsontwerp of door een parlementslid van de meerderheid als een eigen voorstel”, aldus Devos.

Doch, ook de macht van leden van de meerderheid is beperkt. Zo stelt CD&V-Kamerlid Nahima Lanjri dat als een minister “zelf met de pluimen wil gaan lopen” je blij moet zijn “dat het jouw idee is dat ze uitvoeren”. Naast het indienen van vele wetsvoorstellen – zoals Lanjri dat doet – bestaat er nog een andere ‘tactiek’ om op het beleid te wegen. Zo tracht Kamerlid voor Open Vld, Egbert Lachaert, zich specifiek op regeringsbeleid te richten en daar – zowel voor als achter de schermen – op in te pikken en dingen gedaan te krijgen.

Doch, ook volgens hem taant de macht van het parlement. “De partijen hebben zo veel macht dat je op voorhand weet hoe het zal uitdraaien. Als dit parlement nog serieus genomen wil worden, moeten we weer meer slagkracht krijgen”, aldus Lachaert.

Is er perspectief?

Dat het parlement de laatste tien jaar geheel zonder tanden was, klopt niet. Zo kon het tijdens de slopende regeringsvorming die de regering Di Rupo I in het zadel hees zijn invloed uitbreiden. De toenmalige regering was immers in lopende zaken gegaan. Bijgevolg mag de regering enkel hoogdringende zaken, ‘onbelangrijke’ zaken, aspecten waar zij al mee bezig was of initiatieven van het parlement verder uitwerken.

Een dergelijke ‘parlementaire revival’ maakte Devos nieuwsgierig naar de rol van het parlement tussen de Krisette van oktober 2016 en het zomerakkoord van enkele weken geleden. Lachaert stelt echter resoluut dat er van een ‘parlementaire revival ‘geen sprake is. “Als de regering kibbelt, kan je als parlementair wel duidelijker je profiel schetsen, maar het afgelopen werkjaar was de sfeer tussen de meerderheidsfracties zeer agressief. Het werk verliep net zoals dat in de regering: de constructiviteit was er helemaal uit. Ik hoop dat het Zomerakkoord de aanzet kan zijn om er het komende anderhalfjaar nog het beste van te maken”, aldus Lachaert.

Meer controlerende dan wetgevende macht?

Volgens Devos maakt “de wetgevende macht […] zijn naam steeds minder [waar]. Dat betekent niet dat er denigrerend over gedaan moet worden. Parlementairen beïnvloeden het beleid ook in de media of als experten op kabinetten. Maar het parlement is meer en meer een controlerend orgaan geworden in plaats van een wetgevend.”

Al valt ook hier een bedenking bij te plaatsen. De parlementaire onderzoekscommissies – hét parlementaire controleorgaan bij uitstek – draaiden ofwel op niets uit door spelletjes tussen meerderheid en oppositie ofwel had de regering al nieuwe wetten uitgevaardigd voordat de conclusies bekend waren.