Deze week ontstond er een open oorlog tussen N-VA-voorzitter Bart De Wever en de krant De Standaard. In een bijdrage op de N-VA-website stelde De Wever dat “Bart Brinckman (red: politiek journalist van De Standaard) […] een vrijgeleide heeft om een persoonlijke vendetta te voeren jegens mij”. Regelrecht “pestgedrag” volgens hoofdredacteur van De Standaard Karel Verhoeven.

Dat De Wever geen al te beste relatie heeft met De Standaard is al langer een publiek geheim. Ondanks dat het conflict deze week een hoogtepunt bereikte, uit De Wever al sinds een poos zijn ongenoegen over de krant. Zo stelde hij eerder dat “die krant en die journalisten […] ongeveer alles [publiceren], als het maar tegen N-VA is. Die krant is ook de werkgever van Dyab Abou Jahjah, ik kan er niet meer over zeggen, ik lees die krant elke dag met stijgende verbazing, over welke onzin dat daar dikwijls instaat.”

Inhoud niet beschikbaar.
Accepteer cookies door op Accepteren in de banner te klikken

Vanwaar komt de ergernis van De Wever?

De Standaard is een krant met Vlaamsgezinde, katholieke wortels. Zo prijkte er tot voor 1999 het woordkruis AVV-VVK op de krant. Ondanks dat de krant onder  leiding van hoofdredacteur Peter Vandermeersch veranderde van ideologie, bleven de lezers grotendeels hetzelfde. Zo zullen er ongetwijfeld meer N-VA-kiezers De Standaard lezen dan De Morgen.

Bijgevolg hebben kritische artikels in De Standaard een groter gewicht. Aan dit laatste is vandaag de dag geen gebrek. Zo schrijven onder anderen Marc Reynebeau en Paul Goossens (oud-hoofdredacteur van De Morgen) voor de krant. Noch Reynebeau, noch Goossens gelden als hevige N-VA-supporters.

Echter, naast het veelvoud aan kritische artikels en ex-ideologie is er ook sprake van een soort ‘rancune’. In het 2013 had De Standaard een interview met De Wever omtrent het neutraliteitsprincipe bij de overheid. De kop van het interview: “Geen homo-T-shirt achter loket”. Terwijl de interviewer in kwestie (Joël De Ceulaer) deze kop verdedigde omdat De Wever “een grens verlegde”, was de N-VA-voorzitter niet te spreken over de titel. Zo was hij van mening dat De Ceulaer één uitspraak had geïsoleerd.

Waar De Wever zich eveneens aan ergert zijn de vele redactionele bijdragen van De Standaard. Deze zouden feitelijk onjuist, te opiniërend en uitgesproken anti-N-VA zijn. In een eerder artikel hierover stelde de nieuwswebsite Apache dat “[de kritiek dat] het daarbij om klassieke Wetstraatstukken gaat met vaak veel gespin en een soms flou onderscheid tussen berichtgeving, analyse en opinie, […] niet enkel bij N-VA te horen valt”. Doch volgens de eerder progressieve nieuwsite is “het allerminst zo dat enkel N-VA op die manier wordt aangepakt. Het is, afhankelijk van de bron, een euvel dan wel een kwaliteit van wel meer Wetstraatjournalisten”.

“‘Journalist’ Bart Brinckman”

In zijn blog slingerde De Wever een hele hoop verwijten naar De Standaard. Zo is volgens hem “lectuur van Brinckman […] een nuttige les in zelfbeheersing geworden”. Ook stelde hij dat “ik vaststel dat de notie ‘verantwoordelijkheid’ bij De Standaard een abstract, zelfs verdacht begrip is geworden”. Vele malen belangrijker dan de verwijten, zijn echter de vraagtekens die De Wever plaatste bij de juistheid van Brinckman zijn artikel.

Zo stelt de N-VA-voorzitter dat “Brinckman meent […] te moeten stellen dat de ontsnapping van twee zware jongens uit het Antwerpse Hof Van Beroep te wijten is aan een blunder van de Antwerpse politie en niet van Justitie. Als je dit incident als een geïsoleerd feit beschouwt, is dat mogelijk correct. Want wie niets doet, kan ook niets verkeerd doen. De beveiliging van gevangenentransporten en gerechtsgebouwen is een gedeelde verantwoordelijkheid van de lokale politie en justitie. Maar wanneer de beloofde scanstraat er niet komt en wanneer het operationele veiligheidskorps van Justitie bestaat uit een fractie van de 77 benodigde manschappen (die wel degelijk zwart op wit en op korte termijn werden toegezegd… in 2006), dan blijft één van beide partners in gebreke. Punt. En dus moet de lokale politie het oplossen. En dus is het ook de lokale politie die als enige in de fout kan gaan.”

De Wever gaat verder door te stellen dat “het verwijt van ‘waarnemers’ (wie zouden dat zijn?) dat ik zou willen ‘stoken’ […] te gek voor woorden [is]. Want dit probleem wordt al jaren aangeklaagd door voorzitter Bruno Luyten van het Hof van Beroep en werd al gesignaleerd in drie officiële brieven van het stadsbestuur aan de minister, de eerste in april 2016. Intussen wordt de toestand op het terrein alleen erger. Diverse incidenten, waarbij ook al medewerkers werden verwond, getuigen daarvan.”

Verhoeven: “Het gaat om pestgedrag”

Terwijl De Wever – naast een aantal verwijten – kritiek geeft op een stuk, focust Verhoeven zich al dan niet bewust enkel en alleen maar op De Wever zijn verwijten. Nergens schrijft hij in zijn column waarom de inhoudelijke opmerkingen van de N-VA’er onjuist zijn. Integendeel, springend van conclusie naar conclusie komt hij bij een soort ‘reductio ad Trumpum’.

Zo stelt Verhoeven “dat hij (red: De Wever) zich niet geneert om te jammeren over een ‘vendetta’ tegen hem en om nu ook publiek te eisen dat we een van onze journalisten opzijzetten, voorspelt niets goeds over hoe hij evolueert als machtspoliticus. Dat niemand in zijn entourage hem nog kan of durft bijsturen tot wat gezond verstand, is tragisch voor de N-VA.” Verhoeven stelt hier de facto dat De Wever – door kritiek te uiten over de verslaggeving van een journalist  – de persvrijheid in gevaar brengt. Op welke wijze dit de “stijgende democratische bezorgdheid” van Verhoeven kan voeden, is nog maar de vraag.

Verhoeven lijkt verder niet vies van wat contradictie. Zo stelt hij enerzijds dat “N-VA-ideologen mijmeren wel vaker over een belangrijk medium dat hun project zou onderschrijven”. Wat verder echter beschrijft Verhoeven de minachting van De Wever voor de traditionele media. Zo bouwt volgens hem “de N-VA […] duchtig haar bereik uit op sociale media. Zo heeft ze de pers niet meer nodig en kan ze rechtstreeks met haar kiezers communiceren. Het hoeft niet juist te zijn, het mag insinueren, beledigen en op de man spelen, het mag egocentrisch sentimenteel zijn”. Naast het gegeven dat een parallel ‘propagandakanaal’ en een ‘overheersing’ van de traditionele media twee tegenovergestelde zaken zijn, blijft het overigens de vraag waar Verhoeven deze informatie haalt.

Op het einde lijkt het erop alsof Verhoeven het wedstrijdje op de man spelen wil winnen van De Wever. Zo is volgens hem het met scherp schieten van De Wever “op één journalist, op wiens opzijzetten hij de voorbije jaren al verschillende keren per mail heeft aangedrongen, […] tekenend. Intimidatie is niet het juiste woord. Het gaat om pestgedrag. Pesten is een vorm van machts­streven. Het is brutaal en heeft iets irrationeels. Het valt niet te tolereren.” Na deze stelling eindigt Verhoeven met een soort ‘reductio ad Trumpum’. Want, “Donald Trump illustreert hoe een gewiekst politicus het pesten van nieuwsmedia tot succesvolle strategie kan maken”.