In 1998 voerde Vlaanderen het toelatingsexamen in voor kandidaat-studenten geneeskunde en tandheelkunde. Dit was een respons op de invoering van het zogenaamde contingent (kort samengevat: het maximum aantal artsen dat mag afstuderen en een beroepserkenning krijgen) door de federale regering. Na bijna 20 jaar gaat Wallonie nu hetzelfde doen.

Waarom dit contingent werd ingevoerd is voer voor een andere discussie. Sommigen steunen het als een manier om geen overheidsgeld te verspillen aan de gedoemde opleiding van sommige hoopvolle studenten die niet de wetenschappelijke bagage hebben om een dergelijke studie aan te vatten. Anderen zien er een manier in om een overaanbod artsen te voorkomen. Zo’n overaanbod zou een verlaging van de kwaliteit van de zorg tot gevolg kunnen hebben of – cynischer – misschien de prijs van medische verzorging te veel doen afhangen van het fluctuerend aanbod aan artsen en dus de marktwerking versterken. Dit zou de nu al moeilijke verhoudingen tussen artsen, ziekenfondsen en overheid zeker niet verbeteren.

Belgische soap

Feit is dat het contingent al snel een soort Belgische soap werd. Vlaanderen voerde een ingangsexamen in, en bleef relatief trouw aan de vooropgestelde contingentering (hierop kan uiteraard nog veel verder worden ingegaan) van het federale gebod. Het parlement van de ‘Federatie Wallonië-Brussel’ steunde een dergelijk toelatingsexamen initieel niet. Een van de argumenten toen was het tegengaan van elitevorming: gegoede scholieren van goede middelbare scholen zouden teveel voorsprong hebben op minder gefortuneerde deelnemers.

De Franstaligen kozen ervoor om studenten te laten beginnen aan de opleiding, en dan na drie jaar een selectie te maken van wie door mocht en wie niet. Waarom men over de taalgrens vond dat studenten drie jaar laten studeren met valse hoop om ze dan uit de richting te zetten een goed idee zou zijn, is nooit duidelijk geworden. Het resultaat laat zich raden: in 2003 werd de regel – na uitgebreide studentenprotesten wegens de onmenselijkheid van deze regel – volledig afgeschaft met terugwerkende kracht, en viel elke vorm van georganiseerde en gecentraliseerde instroombeperking in Wallonië en Brussel weg.

Protest

Al in 2003 werd hiertegen geprotesteerd door onder andere N-VA. Velen langs Vlaamse kant vonden het niet kunnen dat in Vlaanderen de federale wetgeving werd nageleefd met nadelen tot gevolg voor de Nederlandstalige studenten, terwijl men in Wallonië de wetgeving negeerde. Sinds vorig jaar dreigde de minister van Volksgezondheid Maggie De Block (Open Vld) ermee om geen RIZIV-nummers (nodig om zelfstandig als arts te kunnen werken) meer toe te kennen als de Franstaligen niet meewerkten.

Het parlement van de federatie Wallonië-Brussel keurde op 29 maart – 20 jaar na de invoering van de contingentering – het decreet goed om een ingangsexamen te organiseren vanaf volgend academiejaar. Het zou slechts op een dag worden georganiseerd (in tegenstelling tot de twee examenkansen in Vlaanderen), namelijk op 8 september, en volgt volgens het verslag van La Libre grotendeels hetzelfde stramien als het Vlaamse ingangsexamen.

Deze ‘enkele kans’ kreeg alvast kritiek van studentenorganisaties en decanen als te streng (in vergelijking met de twee examendagen langs Vlaamse kant). De federatie van Franstalige studenten herhaalt bovendien de mening dat deze maatregel de ongelijkheid van scholieren op de middelbare school zal versterken, en merkt op dat er studies zijn die aantonen dat een dergelijk toegangsexamen geen goede voorspeller is van de uiteindelijke kwaliteit van de afstuderende arts.

1 REACTIE