Geen dag gaat voorbij of in de media komt het inflatiecijfer aan bod. Waar staat inflatie echter voor? En in hoeverre komen de cijfers die hierover worden gepubliceerd overeen met de realiteit?

De index van consumptieprijzen wil een maat zijn voor de evolutie van de levensduurte voor een gemiddelde consument. Anderzijds is de inflatie een getal, doorgaans uitgedrukt in procent, dat de verandering weergeeft tussen de twee maandelijkse indexcijfers van twee opeenvolgende jaren. Voor december 2016 zou de inflatie 2,03% bedragen. De inflatie (deflatie) kan echter ook negatief worden, wat overigens een paar maanden in België het geval was rond de jaarwisseling 2014-2015.

De korf van producten en diensten

Maar is dit eigenlijk wel zo? Stemt het getal dat in de media wordt voorgesteld als de inflatie wel degelijk overeen met de reële evolutie van de levensduurte? Even grasduinen op de officiële website van de overheid www.statbel.fgov.be maakt heel wat duidelijk. De evolutie van de consumptieprijzen wordt bepaald met de consumentenindex, CPI genaamd. Deze CPI wordt maandelijks door de FOD financiën berekend op basis van 507 goederen en diensten. Deze ‘korf’ van 507 producten/diensten is ingedeeld in vier groepen producten : voeding, niet-voeding, diensten en huur.

De korf kan tevens worden ingedeeld in twaalf categorieën, gaande vanvoedingsmiddelen en dranken, over tabak, huisvesting, water, elektriciteit, gas, e.d. over horeca, recreatie en cultuur en nog een aantal andere. Aan elke categorie wordt dan een wegingsfactor toegekend. Die factor staat voor het relatieve belang van die categorie goederen/producten in het budget van de gemiddelde consument. Het spreekt voor zich dat de optelsom van die wegingsfactoren 100% is. De wegingsfactoren variëren in de tijd gezien een gewijzigd consumentengedrag en veranderingen op de markt. Zolang die CPI staat voor de reële evolutie van de levensduurte is er geen enkel probleem: so far so good.

Gezinsinkomens toetsen

Een objectieve analyse is vrij eenvoudig te doen: De wegingsfactoren dienen te worden vergeleken met het de bestedingen van het huishoudbudget enerzijds, met het gemiddeld inkomen van een gezin anderzijds. Zowel de cijfers van de wegingsfactoren als de bestedingen van het huishoudbudget worden gegeven door dezelfde FOD financiën en zijn terug te vinden op de website www.statbel.fgov.be.

Anno 2016 bedroeg de mediaan van een brutoloon 2.976 euro per maand, goed voor €1.807 netto. Dat betekent dat de helft van de Belgische werknemers meer verdient dan dit bedrag, de andere helft minder. Het is evenwel logischer uit te gaan van het gezinsinkomen eerder dan van het individueel inkomen. In 2013 bedroeg het gemiddeld netto inkomen van een gezin €2.819. Hanteren we een correctie op dit bedrag en nemen we eenvoudigheidshalve het gemiddeld bedrag aan van € 3.000 per maand. Een kleine afwijking is immers irrelevant voor onderhavige denkoefening.

Op de website Statbel staan de cijfers tot 2014 vermeld. Bij gebrek aan recentere cijfers doen we de rekenoefening voor dat jaar. Het jaar op zich is bovendien onbelangrijk. De FOD economie benadrukt evenwel dat het gemiddeld inkomen niet de beste maatstaf is. Immers twee derden van de loontrekkenden ontvangen immers een lager salaris. De mediaan, wat ongeveer 13% lager ligt dan het gemiddelde, is een betere basis. De mediaan bedroeg in 2014 per gezin 2.610 euro. De helft van de Belgische gezinnen verdienen dan meer dan dit bedrag, de andere helft minder.

In onderstaande tabel plaatsen we een aantal cijfers naast elkaar.

Categorie
Voeding
Tabak
Huisvesting
Horeca
Recreatie
Weging
16,7%
2,4%
18,7%
6,9%
9,7%
Deel 2.610
€436
€63
€488
€180
€253
Echt budget
13,1%
2%
29%
5,8%
8,2%
Deel 2.610
€341
€52
€757
€151
€214
Verschil
-28%
-22%
+55%
-19%
-19%

 

 

 

 

Statbel geeft tevens de procentuele verdeling van het huishoudbudget. De verschillen zijn groot en gelden feitelijk voor alle twaalf factoren. Het hoeft geen betoog dat een wijziging van de wegingsfactoren een ander resultaat oplevert voor de CPI of consumentenindex. Als een grotere dan reële wegingsfactor wordt gegeven aan een categorie welke minder snel stijgt of zelfs daalt (bv. kleding ten gevolgde van de globalisering) en men omgekeerd een kleinere wegingsfactor geeft dan werkelijk zou moeten (bv. huisvesting, water, elektriciteit en water), hoeft het geen betoog dat het bekomen indexcijfer heel ver van de realiteit komt te staan.

Als we het jaar 1981 als maatstaf hanteren en dit gelijk stellen aan 100 dan ziet de evolutie van de index ten aanzien van eind 2016 er als volgt uit:

2013 : 103,54 | 2004 : 126,73 | 1996: 145,65 | 1988 : 178,76 | 1981: 241,83

De prijzen zijn dus volgens deze index sinds 1981 ongeveer met een factor van 2,5 vermenigvuldigd. Maar rekening houdend met hoger staande kanttekeningen mogen we inschatten dat een prijsevolutie van 400 dichter bij de waarheid aanleunt: een vervierdubbeling van de prijzen dus.

Fout meten is fout weten.

ADVERTENTIE