De Nationaldemocratische Partei Deutschlands, die zich rechts van de AfD van Frauke Petry bevindt, wordt dan toch niet verboden. Een tweede verzoek (na een poging in 2003) van de bondsstaten om de partij te verbieden faalde vandaag na een uitspraak van het Bundesverfassungsgericht. Het Grondwettelijk Hof was van oordeel dat de partij weliswaar antidemocratisch is, maar niet de mogelijkheid heeft om de Duitse democratie te bedreigen.

De uiterst rechtse NPD (°1964) stond al geruime tijd in het blikveld van de overheid. Het ultranationalistisch profiel bracht de partij in de jaren ’90 sterker onder toezicht van politie en gerecht. Een eerste verzoek uit 2001 om de partij te verbieden door parlement, regering en Bundesrat (deelstatenparlement) eindigde in 2003 ietwat als een scherts. De zaak werd afgebroken nadat duidelijk werd dat de overheid geen overzicht had over de vele undercoveragenten en informanten (‘V-Männer) van staatsveiligheid die de partij dienden te ondergraven.

Tweede keer, goeie keer?

In 2014 werd een tweede poging tot verbod ingesteld. Ditmaal legden de deelstaten onder CDU/CSU-leiding een klacht neer bij het Grondwettelijk Hof. Het onderzoek naar de vermeende staatsvijandigheid van de partij werd in 2015 aangevat. De uitspraak viel uiteindelijk pas op 17 januari 2017 om 10u00 ‘s morgens. Volgens de voorzitter van het Grondwettelijk Hof, Andreas Voßkuhle, moet de NPD als “antidemocratisch, racistisch en ideologisch met de NSDAP verwant” ingeschat worden, maar heeft de kleine partij naar het oordeel van het Hof niet de mogelijkheden om de Duitse staat en haar democratische waarden ook echt te bedreigen.

Hierbij moet opgemerkt worden dat het niet gaat om een oordeel gebaseerd op de ideologie, maar wel op de middelen die de partij gebruikt om haar doelen te verwezenlijken. De stelling van de Bundesrat, dat de NPD uit “geestelijke brandstichters” bestaat en een “atmosfeer van angst” schept, werd evenzeer afgewezen.

De poging tot verbod baseerde zich op twee historische precedenten. In 1952 oordeelde het Bundesverfassungsgericht (het Duitse Grondwettelijke Hof) dat de Sozialistische Reichspartei (SRP) als neonazistische partij staatsgevaarlijk was. In 1956 volgde een tweede partijverbod, ditmaal tegen de communistische KPD (Kommunistische Partei Deutschlands). Een mogelijk derde partijverbod tegen te NPD werd sterk bekritiseerd. Het zou niet alleen gevaarlijke trends in het verborgene dringen, maar ook extra kiezers leveren aan AfD en Die Linke, aldus critici.

Inhoud niet beschikbaar.
Accepteer cookies door op Accepteren in de banner te klikken

ADVERTENTIE