LONGREAD: Baudet en Assad, het morele recht op onverschilligheid

0
1841

De columnist Theodor Holman stelde de vraag of immoreel leiderschap niet beter is dan wetteloosheid. Dit schreef hij naar aanleiding van discussies in de Tweede Kamer over het Assad-regime in Syrië. Volgens Holman zou het Kamerlid Baudet (FvD) hebben gezegd: “Je kunt Assad verjagen, maar niemand weet wat je ervoor terugkrijgt.” Uit de weinig inhoudelijke reacties op dit standpunt concludeert Holman “dat Nederlandse parlementariërs sterk geloven in de krachtige morele houding, ook al kost die te veel mensenlevens.”

De onderliggende boodschap van Holman is dat Baudets tegenstanders niet met morele ambiguïteit kunnen omgaan. In hun ogen is de wereld altijd een strijdveld tussen de progressieve voorvechters van de plurale samenleving (good guys) en reactionaire conservatieven (bad guys).

Inhoudelijk argumenteren zijn ze hierdoor verleerd: politiek is bij hen vervangen door moral posturing. Deugsignalen dus of ‘virtue signaling’. Zij reageerden daarom maar op Baudets standpunt met vragen en statements als: “Dus u steunt Assad!?! U hebt begrip voor hem?!?” Precies zoals de stortvloed aan Hollywood producties over de Tweede Wereldoorlog hen heeft geleerd. Of eigenlijk zijn ze al van kinds af aan zo geconditioneerd. Door Disneyfilms die steevast uitdraaien op de ontmaskering van de slechterik gevolgd door een ‘happy end‘.

Realisme

De vraag die deze conditionering negeert is of morele vraagstukken überhaupt moeten meespelen in een realistische geopolitiek. Assads regime richt ernstige schade aan; hoe zwaar weegt de chaos van het wetteloze alternatief? Om hierover een zinnige afweging te maken moet de volksvertegenwoordiger zich enige mate van distantie veroorloven ten aanzien van de eigen morele conditionering; enige onverschilligheid tegenover de gevoelde emotie. Baudet weigerde om expliciet een kant te kiezen en verwierp de beschuldiging dat zijn visie op non-interventie neerkomt op steun voor Assad. Is er, met andere woorden, een moreel recht op die genoemde emotionele en ethische distantie – is er een moreel recht op onverschilligheid?

In 2008 brachten Michel Houellebecq en Bernard-Henri Lévy een briefcorrespondentie uit: Ennemis publics. Een groot deel van het werk behandelt deze vraag en onderstreept hierbij hun karakterverschillen. Houellebecq is beroemd wegens zijn controversiële romans. Hij beschreef een Europa waarin relaties steeds moeilijker en vluchtiger worden: het feminisme en het marktdenken slopen zelfs de slaapkamer binnen. Met als gevolg een afname in authentiek seksgenot, in gezinsvorming en geboortes, terwijl de islam ondertussen stevig aan die weg timmert. Tegen deze achtergrond zegt Houellebecq dat hij zich steeds minder een staatsburger voelt en steeds meer een gebruiker van de staat, een klant. Hij ziet zich als consument, slechts op weg van privéruimte naar privéruimte. Lévy noemt hem een Bartleby, een ‘I would prefer not to’, als verpersoonlijking van de burgerlijke afzijdigheid die zich aan geen enkele gemeenschap gebonden weet.

Zijn opvattingen blijft Houellebecq namelijk verschuilen achter romanpersonages terwijl Lévy openlijk een geëngageerd activisme nastreeft. In Ennemis publics bekent Houellebecq dat hij ronduit laf is en zich liever afzijdig houdt bij conflicten. Hij haalt een jeugdherinnering op waarin zijn vader vertelde hoe Franse verzetsstrijders een Duitse officier ombrachten in een metrowagon. “Niet erg interessant”, had zijn vader gezegd. Hierop ontsteekt Lévy als mensenrechtenactivist in woede. Een boeiend debat ontstaat met als inzet: het morele recht op onverschilligheid. In hun geval staat er hierbij veel op het spel, namelijk het collaboreren met de Duitse bezetter. En meer universeel het weigeren om stelling te nemen in het conflict tussen verzetsstrijders en bezettingsmacht. Lévy voert de druk op:

“De woorden ‘niet erg interessant’ ontwaarden de veronderstelling dat sommige oorlogen rechtvaardiger zijn dan andere of dat er, tegenover uitersten van smeerlapperij, wanneer de idee van de mens zelf op het spel staat en er om die idee te redden geen andere keus meer is, vormen van geweld bestaan waarvan het wenselijk is dat ze de overhand hebben en zegevieren – al worden ze enkel met bloedend hart en met loden voeten ingezet.”

Met andere woorden: is een mens verplicht tot handelen, verplicht partij te kiezen indien geconfronteerd met het barbaarse nazisme en het verzetsgeweld als laatste redmiddel? Dit raakt de kern van de praktische filosofie – de vraag is: heeft de vader van Houellebecq het morele recht op onverschilligheid ten aanzien van de verzetsmoord? Deze discussie heeft een therapeutische functie, blijkt nu. Want door het verleden van verzetsstrijders en bezettingsmacht onder ogen te komen, kan West-Europa verder met de geopolitieke impasses van vandaag.

Liever onrecht dan wanorde

“Ik hecht aan een wereld waar rust en orde heersen”, antwoordt Houellebecq. “Precies om die reden ben ik géén geëngageerd intellectueel”. Hij verwijst naar Rusland: het is geen democratie in de Westerse zin van het woord, de meeste Russen weten dat donders goed en kunnen er prima mee leven. Daarop zegt hij dat hij voor zijn gevoel ook zélf steeds minder in een democratie leeft en steeds meer in een soort technocratie. Dus wat maken Lévy – en met terugwerkende kracht die Franse verzetsstrijders – zich toch druk? Hij concludeert dat hij aanstokers van oorlogen en revoluties altijd wantrouwt en sluit af met citaten van Goethe en Comte: “Liever onrecht dan wanorde”“vooruitgang is niets anders dan de ontwikkeling van orde.”

Chaos is een groter kwaad dan onrechtvaardigheid, stelt Houellebecq. Lévy bestrijdt dit: geen mens mag worden opgeofferd voor de orde. Wel gunt Lévy de gewone man op individueel niveau zijn innerlijke ongerijmdheden en tegenstrijdigheden. Hoe kan hij dan op collectief niveau een volstrekte rechtvaardigheid van instituties vergen? Met zijn moreel verheven toonzetting gaat Lévy voorbij aan de precaire situatie die ontstaat wanneer individuen alle vrijheid hebben en instituties nauwelijks vrijheid. Niettemin versterkt hij zijn morele intensiteit door naast de Duitse bezetting ook de vrijheidsstrijd van de Tibetanen aan te halen. Als universele scheidslijn tussen goed en kwaad waarover geen onverschilligheid mogelijk is.

Het “morele links” waarnaar Lévy in zijn betoog verwijst heeft echter banden met radicaal links. De casus van de Tibetaanse vrijheidsstrijd tegen de Chinese communisten is zodoende een lastiger voorbeeld dan het lijkt. Daar komt bij dat als de Duitse bezetting een absoluut punt is dat nergens tegen gerelateerd mag worden – waarom worden de communistische misdaden door linkse actoren dan dikwijls gerelativeerd onder het mom: “Het was voor een hoger doel, het idee was op zich goed maar de uitvoering was verkeerd”?

Houellebecq draait de kwestie om door te stellen dat juist chaos het grootste onrecht betekent. Hier voegt hij aan toe dat het gezag beter een beslissing kan maken – al is die beslissing dan niet optimaal – dan om te aarzelen en het initiatief aan de meute over te laten. Want de wrede aard van de massa, daar heb je geen verzet of burgeroorlogssituatie voor nodig om die te herkennen, stelt hij. Daarvoor hoef je alleen een groep pubers aan het werk te zien, op een moment dat ze zich buiten toezicht wagen.

Heiligt het doel wel de middelen?

Maar Houellebecq drijft de kwestie verder. Het redeneren van Lévy, dat de aanslag op de officier gerechtvaardigd was omdat er een verheven principe op het spel stond – het vrije Frankrijk versus het barbaarse nazisme – leidt volgens hem tot een ‘het doel heiligt de middelen’rationaliteit. Vanuit die denkwijze wordt ook de islamistische revolutie met al haar aanslagen en offers voor principes gevoerd. Oftewel de moreel verheven redeneertrant van Lévy levert niks op wanneer er twee groepen in strijd zijn over een principiële kwestie. Dit maakt duidelijk waarom de vader de aanslag een “buitengewoon oninteressante kwestie” noemde. “De problemen ontstaan wanneer er twee spirituele principes tegenover elkaar komen te staan – hierom ben ik pessimistisch over het Israël-Palestina conflict.”

Lévy antwoordt dat Houellebecq “doet alsof [hij] niet begrijpt dat wie in 1943 midden in Parijs op een Duitse officier schiet, niet echt ‘bij toeval iemand doodt’ ”. Hierop zegt Houellebecq dat er gevoelsmatig een verschil zit tussen een gerichte aanval en blinde aanslag. Betrekken we dit weer op het Franse verzet versus de Duitsers, dan zijn de Duitsers, die twaalf willekeurig geselecteerde gijzelaars executeren, slechter dan de verzetslieden, die het bewust op officieren muntten. Hier speelt de vraag of de verzetsstrijders moreel aansprakelijk kunnen zijn voor de reactie van de bezetter.

Harry Mulisch schreef hier in De Aanslag (1982) helder over: “Wie ze gedood heeft, heeft ze gedood. En niemand anders”. Niettemin voegt Mulisch hier aan toe dat, om een ander te kunnen doden, de mens eerst een deel van zichzelf moet doden. In de verzetsaanslag zet het kwaad zich door en wint zo alsnog. Vaak verhult de dichterlijke en edelmoedige taal van een moreel verheven vertoog dat in iedere gewelddadige verzetsstrijder een toekomstige tiran kan schuilen. Zoals we ook zagen toen het verzet tegen Assad werd geïnfiltreerd door jihadisten.

Het gezichtspunt van de bacterie

Om de discussie te besluiten zegt Houellebecq (op blz. 193-4) dat je het gezichtspunt van de bacterie moet innemen, een standpunt zo extern mogelijk van de mens. Wie de hele geschiedenis in ogenschouw neemt, zo lijkt de les te zijn, ziet dat met het verstrijken van tijd men over de Duitse bezetting net zo zal denken als over Timoer Lenk, Napoleon Bonaparte en Ghenghis Kahn, wat de morele verontwaardiging van Lévy zou moeten temperen. Zodoende staat een realistisch antwoord in het heden ons toe om het streven naar een universele rechtvaardigheid tijdelijk tussen haakjes te zetten.

Hoe nuttig en waardevol de Westerse maatstaven voor mensenrechten en oorlogsrecht ook zijn – in de praktijk hebben we te maken met een lappendeken van elkaar bestrijdende culturen en instabiele staten. De meest realistische conclusie is dat de Westerse maatstaf voor rechtvaardigheid weliswaar een betere beschaving voortbrengt, maar dat het wegens de praktisch bestaande situaties en tactische gevolgen een betere tactiek kan zijn om die maatstaf niet op buitenlandse conflicten toe te passen.

Geopolitiek betekent dit dat Westerse landen enerzijds de wereld kunnen trotseren vanuit een rotsvast vertrouwen in de maatstaven die men zelf hanteert, zonder zich te laten manipuleren om met een beroep op die standaarden in buitenlandse conflicten verzeild te raken.