Hoofd van het katholiek onderwijs Lieven Boeve sluit aan bij de conclusie van een recent Frans onderzoek in verband met sociale ongelijkheid in het onderwijs: het opsteken van de wijsvinger. Al enkele jaren verkondigen onderzoekers uit verschillende Europese landen dat er nood is aan een mentaliteitswijziging.

In 2010 testte Londens onderwijsprofessor Dylan William voor een documentaire van BBC2 een klas van 25 kinderen. Gestelde vragen tijdens de lessen mochten niet individueel beantwoord worden, want de leerlingen hoorden allemaal na te denken en een antwoord neer te schrijven op een bordje. Dit om iedereen bij het lesonderwerp te betrekken. Het resultaat: na een trimester op deze manier gewerkt te hebben, bleken de kinderen zich twee keer sneller de leerstof eigen te maken dan leeftijdsgenoten van een andere klas die volgens de klassieke methode werden onderricht. William opperde: “Onze veranderingen gaven de stillere kinderen meer zelfvertrouwen, ze deden alle leerlingen beseffen dat ze moesten meedoen en schiepen een aangename sfeer. Niemand lacht meer als iemand iets verkeerds zegt.” Jan Palmer Sayer, directeur van de school waar het experiment plaatsvond, noemde de resultaten verbazingwekkend.

Ook in België maakten de conclusies indruk, zowel in het katholiek als in het staatsonderwijs. Echter is het pas sinds kort dat uitdrukkelijk naar Williams onderzoek gewezen wordt, mogelijk omdat het wachten was op het nieuw uitgebreider universitair onderzoek van Jean-Claude Croizet en Sébastien Goudeau om de theorie te staven. De twee Franse psychologen die hun studie met de medewerking van een kleine duizend leerlingen deden aan de universiteit van Poitiers verkondigden dat het opsteken van de vinger niet alleen leerlingen ontmoedigt deel te nemen aan het leerproces, maar ook de algemene ongelijkheid in de klasgroep vergrootte. Ze leggen ook de link tussen de afkomst (arbeidersmilieu tegenover middenstandsmilieu). Hier besteden de Belgische onderwijskoepels geen expliciete aandacht aan. Hen lijkt het vooral te gaan om een voorbijgestreefd systeem, zoals woordvoerster van het gemeenschapsonderwijs (GO) Sarina Simeon verduidelijkt: “Het beeld van de strenge leerkracht die vraagt te luisteren en te antwoorden wanneer het hem of haar past, is passé. Lesgeven is meer coachen en ondersteunen geworden”. Boeve treedt haar bij met: “Het is een stereotiepe vorm van lesgeven, die er aan het uitgroeien is. Op die manier worden alleen de beteren bij de les betrokken.”

Naast de Boeve en Simeon treedt ook pedagoog Pedro De Bruyckere de theorie bij. De docent aan de Gentse Arteveldeschool die studenten opleidt met als doel het worden van ‘moderne’ leraren, verzoekt zijn studenten vandaag al verzoekt tijdens hun stage het ‘oude systeem van de vinger in de lucht’ niet meer te gebruiken. Met andere woorden staat het proces niet meer op til, maar is het vandaag in gang geschoten. Toch reageren veel mensen sceptisch, vooral omdat voor hen het opsteken van de vinger een toonvoorbeeld is van respect aan de leraar. Zoals vermeld, duidt Simeon op de autoriteit van de leerkracht die achteruit gaat en daardoor dichter bij de leerling komt te staan. Respect voor de leerkracht wordt zo vanuit een ander, vernieuwend, daglicht bekeken.

Diana Ons, die tientallen jaren les gaf op een Vlaams-Brabantse basisschool, zowel aan autochtone kinderen als aan kinderen van migranten reageerde echter eerder luw. Volgens haar hangt de manier van lesgeven vooral af van de groep die onderricht wordt. Leerlingen uit de ene maatschappelijke groep horen anders benaderd te worden dan de andere. Haar techniek bestond erin leerlingen steeds onverwacht en willekeurig aan te duiden, waardoor ze steeds aandachtig moesten zijn. Kon iemand niet op het antwoord komen, duidde ze een andere leerling aan om samen na te denken. Haar leertechniek sloot echter het ‘vinger opsteken’ totaal niet uit: afwisseling zorgde voor een dynamische les aldus nog de onderwijsveteraan.