Na meer dan twee maanden van onderhandelingen werd er maandagavond 9 januari dan toch een akkoord bereikt over een nieuwe IJslandse regering. Het resultaat is een coalitie tussen de conservatieve Sjálfstæðisflokkurinn (Onafhankelijkheidspartij) en de liberale partijen Viðreisn (Hervormingspartij) en Björt framtíð (Heldere Toekomst). Deze coalitie heeft de kleinst mogelijke meerderheid van 32 zetels op 63 in het IJslandse parlement Alþingi. Eén van de beloftes van de nieuwe regering is dat er tegen het einde van de legislatuur mogelijk een referendum over EU-lidmaatschap gehouden zal worden.

Eind oktober van verleden jaar werden er op IJsland parlementsverkiezingen gehouden, nadat de vorige eerste minister Sigmundur Davíð Gunnlaugsson zijn ontslag indiende in de nasleep van de Panama Papers. Die verkiezingen leverden een zeer verbrokkeld Alþingi op, met als grote winnaars de Píratar (Piratenpartij) (van 3 naar 10 zetels) en nieuwkomer Viðreisn (meteen 7 zetels). Framsóknarflokkurinn (Progressieve Partij), de partij van de ontslagnemende eerste minister Sigmundur Davíð Gunnlaugsson, moest het gelag betalen, met een achteruitgang van maar liefst 11 zetels (van 19 naar 8).

Na de verkiezingen ging het initiatief in eerste instantie naar Sjálfstæðisflokkurinn, de grootste partij in het Alþingi. Maar de onderhandelingen met Viðreisn en Björt framtíð strandden midden november. Vervolgens was het de beurt aan de twee tweede grootste partijen in het Alþingi, de Vinstrihreyfingin – grænt framboð (Links – Groene Beweging) en daarna de Píratar. Geen van beiden slaagden erin een regering op de been brengen. Pas toen de beurt voor een tweede keer naar Sjálfstæðisflokkurinn ging, slaagde partijvoorzitter Bjarni Benediktsson erin tot een overeenkomst te komen met Viðreisn en Björt framtíð. Bjarni Benediktsson wordt meteen ook eerste minister van de nieuwe regering.

EU-onderhandelingen

Eén van de opmerkelijkste punten in het regeringsakkoord is een mogelijk referendum over een toetreding van IJsland tot de Europese Unie, gepland tegen het einde van de legislatuur. IJsland vroeg in 2008 al EU-lidmaatschap aan, in de nasleep van de economische crisis die het eiland zwaar trof. Die crisis leidde tot een volledige ineenstorting van de IJslandse banken, en leverde nogal wat IJslanders ook persoonlijk grote financiële problemen op. De onderhandelingen over een eventueel IJslands EU-lidmaatschap werden echter in 2013 bevroren, en in 2015 definitief van tafel gehaald.

Enerzijds was IJsland ondertussen op eigen kracht weer uit de financiële problemen geraakt, anderzijds leidde de stugge houding van de EU-onderhandelaars ertoe dat het voor nogal wat IJslanders al lang niet meer hoefde. Eigenlijk had IJsland toenadering tot de Europese Unie gezocht in de hoop hulp te krijgen bij zijn financiële problemen. Maar de Europese Unie stelde als uitdrukkelijke voorwaarde vóór een eventuele toetreding dat IJsland eerst volledig op eigen houtje zélf zijn financiële problemen zou oplossen. Daarbovenop vroegen de Britse onderhandelaars compensaties voor de schade die de IJslandse banken in Groot-Brittannië hadden aangericht. Koppel daaraan de EU-eis dat IJsland zijn visgronden volledig zou openstellen voor vissersvloten uit de hele Europese Unie, en men kan begrijpen dat de IJslandse liefde voor EU-lidmaatschap snel bekoelde. Met azijn vangt men geen vliegen en ook geen Vikings zo blijkt.

Tegen EU-lidmaatschap, vóór EU-referendum

Uit opiniepeilingen blijkt dat een meerderheid van de IJslanders nog steeds tegen EU-lidmaatschap is, maar wel vóór het houden van een referendum. Sjálfstæðisflokkurinn is tegen EU-lidmaatschap, terwijl coalitiepartners Viðreisn en Björt framtíð vóór zijn. Viðreisn is voorstander van een koppeling van de nationale munt, de króna, aan de euro, terwijl Björt framtíð, die banden heeft met de liberale ALDE-fractie in het Europees Parlement van Guy Verhofstadt, zelfs voorstander is van een zo snel mogelijke invoering van de euro op het eiland.

Als de Europese Unie deze herkansing tot een goede einde wil brengen, zal het toch zijn onderhandelingsstrategie grondig moeten herdenken. Maar het zou wel ironisch zijn als IJsland lid zou worden van de Europese Unie op bijna hetzelfde ogenblik dat Groot-Brittannië de EU zou verlaten. Niet alleen maken de twee landen dan precies de omgekeerde beweging, maar was het toch in grote mate Groot-Brittannië dat in de eerste ronde van de onderhandelingen een bijzonder nefaste rol speelde.