De Servische president Tomislav Nikolić beschuldigt de Albanese Kosovaren ervan aan te sturen op een gewapend conflict. Hij uitte de beschuldiging nadat een promotietrein tussen Belgrado en het Noord-Kosovaarse Mitrovica werd tegengehouden aan de grens.

Op zaterdag 14 januari spoorde voor het eerst in achttien jaar opnieuw een trein tussen Belgrado en Kosovo. De trein en de hostesses waren getooid in de Servische driekleur en langs de buitenkant stond het opschrift “Kosovo is Servië” gedrukt in 21 talen. Langs de binnenkant was de trein versierd met muurschilderingen afkomstig uit Servische kerken en kloosters in Kosovo. De Servische regering sprak over een mobiele tentoonstelling van het Servisch cultureel erfgoed en kondigde plannen aan voor een vaste lijn tussen Belgrado en Mitrovica, een stad die een Servische minderheid huist binnen het grotendeels door Albanezen gedomineerde Kosovo.

Pristina noemde de trein een provocatie. Nog voor de trein vertrok, kondigden de Kosovaarse president Hashim Thaçi en diens eerste minister Isa Mustafa dan ook aan er alles aan te doen om te voorkomen dat de trein het Kosovaarse grondgebied zou betreden. De Kosovaarse politie ontplooide een eenheid van de Regional Operational Support Unit (ROSU; een anti-terreur brigade) in Noord-Kosovo en dreigde ermee het personeel op de trein te arresteren. Volgens de Servische premier Aleksandar Vučić was Pristina ook van plan om de sporen op te blazen. Daarom beval hij de trein een ommekeer te maken richting Servische hoofdstad Belgrado.

Daags na het incident verklaarde de Servisch president Tomislav Nikolić dat Kosovo met oorlog flirt door haar agressieve houding. Volgens Belgrado was de mobilisatie van de ROSU in Noord-Kosovo bovendien een inbreuk op de Brussel-akkoorden van 2013, dat de gespannen relatie tussen Pristina en Belgrado moest ontspannen. Nikolić waarschuwde de regering in Pristina dat Servië niet zal aarzelen om troepen te sturen als de Servische minderheid in Kosovo in gevaar is.

Kosovo als deel van Servië

Ooit vormden de orthodoxe Serviërs een meerderheid binnen Kosovo, maar gaandeweg groeide de dominantie van de overwegend islamitische Albanezen in de regio. In 1998 kwam het Albanese Kosovo Liberation Army (KLA) in opstand tegen de regering van toenmalig Joegoslavisch president Slobodan Milošević. Na bombardementen door de NAVO trok Milošević de Joegoslavische troepen terug uit de autonome provincie en begon de Kosovo Force (KFOR) van de NAVO aan haar peacekeeping-missie, wat leidde tot een de facto onafhankelijkheid van de regio. In 2008 scheurde Kosovo zich unilateraal af van Servië, maar Kosovo wordt niet door alle lidstaten van de VN erkend. Zo beschouwt Servië Kosovo nog steeds als een autonome provincie en hecht het een groot symbolisch belang aan de regio omdat het de historische en religieuze bakermat is van het Zuid-Slavische land. Bovendien huist Kosovo nog steeds een Servische minderheid. Ten noorden van de rivier Ibar, die de stad Mitrovica doorkruist, en in bepaalde enclaves met Servische kloosters, wonen nog steeds etnische Serviërs. De Servische minderheid en hun erfgoed in Kosovo worden vaak geviseerd door Albanese nationalisten.

De regio van voormalig Joegoslavië wordt geplaagd door de kwelgeesten van de burgeroorlog in de jaren ’90 die diepe wonden heeft geslagen tussen de verschillende etnoculturele gemeenschappen. Begin dit jaar start een Kosovo-tribunaal in Den Haag dat oorlogsmisdaden gepleegd door Kosovaarse eenheden in de Joegoslavische burgeroorlog zal behandelen.