Doorheen de eeuwen was het tegen elkaar uitspelen van de verschillende Europese actoren een vast onderdeel van de Britse buitenlandse politiek. Divide et impera. Het cultiveren van de tegenstellingen als hefboom voor de eigen positie aanwenden. Waarom zouden ze deze pre-Brexit-fase waarin we zijn aanbeland niet gebruiken om aan te sluiten bij die traditie? De verdeeldheid in het EU-kamp zoals die de voorbije dagen naar boven kwam, toont alvast aan dat er een aan te boren potentieel aanwezig is.

Als men de ‘officiële’ berichtgeving mag geloven, zou men haast gaan denken dat aan de overkant van het Kanaal zowat iedereen tegen een Brexit gekant is. Uiteraard zij die tegen stemden, maar ook zij die voor stemden en nu pas de draagwijdte van hun handeling schijnen te beseffen. Allemaal misleid door populisten, gelokt door enkele eigentijdse rattenvangers van Hamelen, gepersonifieerd door figuren als Boris Johnson en Nigel Farage.

De werkelijkheid is genuanceerder. In die mate zelfs dat er een behoorlijk zelfvertrouwen lijkt te bestaan in het Brexit-kamp. Zij speculeren op economische rationaliteit bij de overige EU-lidstaten. Iedereen heeft er toch het meest bij te winnen als de vrije toegang tot beide markten gehandhaafd blijft? Kan men zich inbeelden dat, zeg maar, de Duitse automobielindustrie iets anders zou willen? Het rationale antwoord op deze dito vraag is gekend. En precies dit scenario wordt ook door de meeste economen als ideaal naar voor geschoven, ook door hen die zich manifest tegen een Brexit uitspraken. Het feit moet nu eenmaal aanvaard worden. De geest is uit de fles, wat betekent dat de uitdaging erin bestaat zo bezadigd mogelijk met het nieuwe gegeven om te springen. Dit is echter theorie. Wellicht mispakt men zich aan de rationaliteit van hen die aan de overzijde van de tafel zullen plaatsnemen. Verschillende factoren spelen hier een verstorende rol.

Economische asymmetrie

Woede, of op zijn minst ergernis, is zo’n relevant element. De sympathie vanop het continent komt vooral uit de politieke marge. De ‘gevestigden’ zijn vooral boos op de Britten, wat zonder meer een invloed heeft op de aan te nemen positie. Dan hebben we het niet eens over verblinde eurofielen als Verhofstadt of Juncker die – mochten ze dat kunnen – de Britten naar de zeebodem zouden willen torpederen. Ook een concurrentieel gegeven is een factor waarmee rekening moet worden gehouden. Een Brexit betekent heus niet het einde van Londen als belangrijk financieel centrum. Maar als Parijs of Frankfurt wat graantjes kunnen afsnoepen, zullen ze die kans niet laten liggen. Anders gesteld: voor het lobbywerk is het VK op zichzelf aangewezen; iemand anders zal het niet doen. Dat er een economische asymmetrie bestaat tussen het VK en de overige lidstaten is een gegeven dat niet onderschat mag worden. Het klopt natuurlijk dat de Britse markt belangrijk is voor de Duitsers, die tweemaal zoveel over het Kanaal exporteren dan vice versa. Globaal genomen gaat net geen 16 procent van alle Europese goederen naar het VK. Omgekeerd is dat 45 procent. Punt is dat de EU belangrijker is voor het VK dan omgekeerd. Het voorgaande heeft een impact op het heersend sentiment bij de 27. Het bemoeilijkt de Britse positie, maar er zijn dan weer troeven die hun demarches kunnen helpen.

Juncker op de schopstoel

De EU is geen monolithisch blok, dat is de voorbije dagen nog maar eens afdoende gebleken. Op verschillende niveaus doen zich tegenstellingen voor. Te beginnen tussen de lidstaten onderling. Waar de Fransen erop aandringen dat snel actie wordt ondernomen, klonk Angela Merkel eerder sussend. Uiteraard moet er geen eeuwigheid overgaan, zei ze, maar “het zijn de Britten zelf die zullen bepalen wanneer ze artikel 50 inroepen”. Onderhandelingen, voegde ze eraan toe, moeten ook netjes verlopen. Enkele dagen geleden lekte het nieuws uit dat de druk van Merkel op Commissievoorzitter Juncker het komende jaar steeds meer zal toenemen. De obsessionele manier waarop hij voor ‘meer Europa’ blijft ijveren, zet bij velen kwaad bloed. Sommige lidstaten – Polen, Hongarije en Tsjechië – lieten verstaan dat met zo’n houding een deel van de verantwoordelijkheid voor de Britse stemming op zijn conto kan geschreven worden. Men is die Luxemburgse dronkaard grondig beu.

Tekenend is ook het getouwtrek tussen Commissie en Europese Raad over wie nu precies de leiding krijgt in de nakende onderhandelingen (inmiddels besliste het Europees Parlement dat de eer de Commissie te beurt valt). Het aanstellen van Didier Seeuws als de man die de gesprekken moet leiden, zette behoorlijk wat kwaad bloed bij Juncker en zijn staf. Het is een functie die zijn eigen kabinetschef graag had gewild, maar door de snelle aanstelling van Seeuws werden ze koud gepakt. Er was ook wat juridisch getouwtrek. Moet het VK beschouwd worden als een lidstaat tijdens het voeren van de onderhandeling, of als een derde staat? Dit zou gevolgen hebben op wie welke verantwoordelijkheid toebedeeld krijgt. Feit is, en daar heeft de Commissie een punt, dat de expertise bij hen ligt. Maar feit is ook dat de geslepen Britse diplomatie in dergelijke moeizame verhoudingen kansen ruikt.