Laten we er even van uitgaan dat de Britten later deze maand daadwerkelijk beslissen uit de EU te stappen. Dat een overwinning van het ja-kamp het land voor enkele grote uitdagingen zal plaatsen, is de evidentie zelve. Er is de voorbij maanden al heel wat over gediscussieerd. Maar welk antwoord heeft Brussel hierop klaar? Is er überhaupt een repliek mogelijk? Of is een chaotische kakofonie onafwendbaar?

Vanuit verschillende opzichten is die Brexit een interessante case, zeker als je de dingen wat in een breder perspectief plaatst. Vaak wordt de focus op Groot-Brittannië gelegd. Welke zijn de economische gevolgen als ze uit de club stappen? Wellicht is precies dàt de meest gestelde vraag. Te dikwijls is de intellectuele eerlijkheid ver zoek, maar er is tenminste debat. Voor- en tegenstanders gaan met mekaar in discussie, en argumenten worden over en weer geschoten. Kortom, aan de overzijde van het Kanaal is er animositeit. Een heel ander sfeertje heerst op en rond het Schumanplein, het kloppend hart van euro-Brussel zeg maar. “Hier heerst een beetje een klimaat van een nagelbijtende omerta”, liet een diplomaat zich – uiteraard anoniem – ontvallen. En met het woord verwijst hij ook rechtstreeks naar een omstreden beslissing.

Precedent Grexit

Het nieuws raakte bekend dat een interne richtlijn de economisten verbonden aan de Europese Commissie verbood de impact van de Brexit op de EU te bespreken. De instructie kwam van de diensten van Commissievoorzitter Jean-Claude Juncker himself. Het gevolg hiervan is wat burlesk. Want heel concreet betekent het dat die specialisten zich buigen over alle mogelijke economische ontwikkelingen in de VS, China of het Midden Oosten en de gevolgen die deze voor de Europese landen kunnen hebben, maar dat het mogelijke vertrek van de tweede grootste economie van de EU een taboe is. De beslissing wordt verdedigd aan de hand van wat gebeurde rond een mogelijke Grexit. Zaken lekten uit en hadden een invloed op het gevoerde debat, wat men deze keer vermijden wil. En toch… Het gemor intra muros is reëel en begrijpelijk. Beide kunnen amper vergeleken worden. Een Grieks vertrek zou terstond zijn ingegaan en de economische gevolgen voor de EU zouden erg klein zijn. Hetzelfde kan niet gezegd worden als de Britten eruit gaan. Jaren van moeizaam onderhandelen liggen in het verschiet – theoretisch duurt de uitstaprocedure twee jaar. Een fameus hindernissenparcours zal moeten worden afgelegd, bezaaid met onzekere factoren, wat toch wel andere koek is dan het vertrek van Zorba en de zijnen.

Afwezige veerkracht

Officieel heet het dat de Europese Commissie geen plan B heeft voor wat moet gebeuren bij een Brits vertrek. En wellicht klopt dit, alleen al omdat men geen consensus kan vinden over wat precies zou moeten gebeuren. Het is geweten dat Frankrijk en Duitsland in nauwe besprekingen zijn. Een EU zonder de Britten zien ze als een mogelijkheid om de as Berlijn-Parijs weer een meer prominente plaats te geven in het Europese project. Ooit was dit de ruggengraat van de EU, maar naarmate de club uitbreidde, minderde het gewicht van beide landen. Heimwee speelt hier een rol. Er was nu eenmaal een periode waarin het draagvlak voor dat Europees project breder was. Die evolutie, zo zien ze het, zou gepaard moeten gaan met een duidelijk signaal, pro-EU, dat spreekt. Even werd geopperd dat maatregelen zouden genomen worden om binnen de EU de Eurozone nauwer bij elkaar te brengen, maar dat idee heeft men schijnbaar laten varen. Eerder zien Hollande en Merkel muziek in het sleutelen aan de samenwerking op het vlak van veiligheid en defensie, altijd al de zwakkere poot van het Europees integratieproces. Zonder twijfel zien eurofielen à la Verhofstadt, voor wie ‘meer Europa’ het antwoord is op nagenoeg alles, dit allemaal met graagte tegemoet. Lucidere geesten leggen beduidend meer scepsis aan de dag. “Als een negatief resultaat van het referendum geïnterpreteerd moet worden als een stem tegen Europa, houdt het weinig steek prompt te reageren met de vraag naar meer Europa”, verklaarde de Nederlandse minister van Financiën Dijsselbloem in de Financial Times. Het is een uitspraak waar de vrees van velen mee vertolkt wordt. Want als menig Brit met een gevoel van raz-le-bol zit ten aanzien van die EU, kan men bezwaarlijk beweren dat ‘Europa’ in andere landen hoge populariteitstoppen scheert. De druk en de kritiek op de Europese Unie is groot en haar veerkracht is klein. En dat net op een moment dat een historisch keerpunt dreigt aan te breken. Beweren dat een Brexit het einde van de EU betekent is gevoelig overdreven. Maar geloven dat een Brits vertrek het begin kan inleiden van middelpuntvliedende krachten en een ontbindingsproces is niet zo onzinnig. Hoe? Dat weet niemand. Welk antwoord hierop gebonden moet worden? Dat weet niemand. Ondertussen krijgen de economisten van de Europese Commissie verbod behoorlijk hun werk te doen.